Hoofdstuk 7 en 8
Ik geloof niet dat ik ooit in mijn hele leven zo zenuwachtig ben geweest. Maar er is ook nog nooit een jongen helemaal uit Rotterdam helemaal hier naartoe gekomen voor een date met mij. Met MIJ! Even hoor ik Christa’s stem in mijn hoofd: ,,Ja, om goed te maken dat ie jullie zoenpartij was vergeten.” Ophouden, zeg ik streng tegen mezelf. Christa heb ik vanmiddag wel genoeg gehoord. Gezellig de stad in, zeg. Het enige wat ze deed, was onderuitgezakt op bankjes hangen, negatief commentaar leveren op elke schoen die ik aanpaste en me tenslotte opzadelen met rode gympen. Gympen! Ik was zo uitgeput van al dat passen, en wanhopig van het feit dat ik niet DE rode schoen kon vinden, dat ik ze nog gekocht heb ook. Zestig euro, verdomme. En nu zit ik hier op Rogier te wachten in mijn spijkerrokje, met mijn ballerina’s eronder. Toen ik gegeten had en weer helder kon denken, zag ik natuurlijk in dat ik never nooit met rode gympen aan kon komen zetten. Zeker niet na hoe ik er zaterdag uitzag. Ik vond eigenlijk dat deze outfit mijn benen een klein beetje kort maakte, maar ik had niks beters. Ik heb een dun roze truitje aan en mijn haar met kleine klemmetjes opgestoken. Ik kijk naar mezelf in een spiegel schuin tegenover mijn tafeltje. Ik zie er best schattig uit. Dat werkt het beste, volgens Kim. Het roept het beschermersinstinct van de mannen op. Ze willen je in hun sterke armen sluiten, ver weg van al het kwaad in de wereld. Nou, van mij mag het.
Ik kijk op de klok die boven de bar hangt. Vijf over acht. Hij is een beetje te laat. Maar dat is niet erg. Fashionably late, heet dat. Eigenlijk had ik ook te laat moeten komen, maar het lukte niet. Ik zat hier zelfs te vroeg. Het leek wel of ik geen enkel stoplicht tegen had op de weg hierheen. Wil je eens een keer te laat komen, lukt het niet. Het leven is ironisch.
Om kwart over acht is Rogier er nog niet. Ik doe mijn uiterste best om al mijn nagels er niet af te kluiven. Hij zal het toch niet vergeten zijn…? Nee, dat kan niet. Dat zou hij nooit doen. Hij zei dat hij het op zou schrijven. Rogier is een heer. Er is vast iets gebeurd op de weg hierheen. Of hij is gewoon niet zo’n man van de klok. Ik verpulver een bierviltje, maar hou er meteen mee op als ik bedenk dat dat volgens Daisy betekent dat je seksueel gefrustreerd bent. Ik heb geen idee of ik dat ben, maar Rogier mocht het eens gaan denken.
Tien voor half negen. De deur gaat open. Ik vlieg overeind, doe snel mijn haar een beetje goed… en zie een stelletje binnenkomen. Ze bestellen allebei een biertje. Ik zak weer in. Ik ben zenuwachtig en verveel me tegelijk, een dodelijke combinatie. Ik vraag me af of ik een van de tijdschriften moet pakken die naast me in de vensterbank liggen. Zou hij afknappen als ik zit te lezen als hij binnenkomt? Aan de ene kant: het is zijn eigen schuld dat hij zo laat is, ik moet toch wat doen om de tijd door te komen. Maar aan de andere kant: misschien komt het wel over als een wanhopige poging literair te lijken. Of zou Rogier zo niet denken?
Half negen. Er komt een meisje naar me toe dat vraagt of ik wat wil drinken. Ik zal wel moeten, ik kan hier niet blijven zitten zonder iets te bestellen, alsof ik een dakloze ben. Maar wat moet ik drinken? Wat wil ik dat Rogier mij ziet drinken als hij zometeen binnenkomt? ,,Eh, eh…” aarzel ik. Het meisje werpt me een vreemde blik toe. Of verbeeld ik me dat nou? ,,Doe maar cola,” flap ik er zonder nadenken uit. Ze knikt en loopt weg. Twee minuten later staat er een glas cola voor me. Ik heb helemaal geen zin in cola, maar neem toch maar een slokje. Ik krijg het amper weggeslikt.
Tien over half negen. Wanhopig probeer ik me te concentreren op Vrij Nederland, omdat volgens Christa alle belangrijke dingen gebeuren als je net even met iets anders bezig bent. Maar ik kan alleen maar denken: ik ben nu met iets anders bezig, dus nu moet hij binnenkomen. Hij hij niet even kunnen bellen? Hij heeft mijn nummer toch? Daar had ik nog niet eens aan gedacht. Shit, ik heb mijn telefoon toch niet op “stil” staan? Als een bezetene begin ik in mijn tasje te graven en vis mijn mobieltje eruit. Verslagen zie ik dat hij op z’n hardst staat, en dat er niet gebeld of ge-smst is. Ik stop het kleine kreng weer in mijn tas en probeer me nou eens op het tijdschrift te concentreren.
Kwart voor negen. Misschien is er iets mis met mijn telefoon waardoor hij nieuwe sms-jes meteen bij de andere sms-jes zet, zonder aan te geven dat er een nieuw bericht is. Dat zou best kunnen. Ik bekijk alle oude smsjes in mijn telefoon, maar er staat geen nieuwe tussen. Voor de zekerheid kijk ik ook nog even naar het gespreksoverzicht, maar er is écht niet gebeld. Of zou er een storing zijn? Ik bel de storinglijn van mijn provider. ,,Op het moment zijn er geen storingen,” vertelt een blikkerige stem me. Damn.
Vijf voor negen. Ik zit hier al bijna een uur. Ik zie dat ik mijn cola op heb. Ik heb niet eens gemerkt dat ik die heb opgedronken. Ik voel me klote. Ik wacht nog 5 minuten, besluit ik. Het is niet dat ik niet langer wil wachten, ik zou hier tot het vergaan van de wereld willen blijven zitten, hopend dat hij nog komt, maar ik wil niet zo wanhopig overkomen. Ik heb eigenlijk liever niet dat hij nu nog komt, hoewel ik hem dolgraag wil zien. Maar ik wil niet dat zielige meisje zijn dat een uur zit te wachten. Als ik een beetje cool was geweest, was ik na twintig minuten al weggeweest, op naar een andere aanbidder. Helaas. Ik ben niet cool.
Negen uur. Ik pak mijn tasje, loop naar de bar en reken mijn cola af. Het meisje werpt me een medelijdende blik toe. Ik doe alsof ik het niet zie. Ik trek mijn jasje aan en loop naar buiten. Het regent een beetje. Ik voel me vreselijk zielig. Ik kan niet naar huis gaan. Ik moet al bijna huilen bij de gedachte aan ons grote, koude huis, waar mijn vader zwijgend voor de tv zit en mijn moeder aan de tafel iets belangrijks zit te doen. ,,Hallo schat, was het leuk?” Ze vraagt het altijd, ook als ze niet eens weet waar ik heen ben geweest. Ik geloof dat ze denkt dat dat haar een betere moeder zal maken of zoiets. Nee. Ik kan echt niet naar huis. Kim zal wel niet thuis zijn, vrijdagavond om negen uur. Die heeft altijd wel wat te doen ’s avonds. Ik denk dat ik maar naar Christa ga. Natuurlijk, ze zal niet zeggen “ik zei het je toch” maar ze zal het overduidelijk denken. Ze zal me overladen met commentaar en goede raad. Maar het is er warm, en het is er gezellig. Ze zal luisteren en meeleven. En ze woont hier dichtbij, zodat ik niet te ver hoef te fietsen met mijn korte rokje.
Tim doet de deur open. ,,Christa is er niet,” zegt hij, voor ik mijn mond maar heb opengedaan. Hij lijkt chagrijnig. Dat heb ik weer. ,,Oh,” zeg ik, en ik weet me geen houding te geven. Ik wil niet zielig overkomen, maar het kost me de grootste moeite om me een beetje normaal te gedragen. Het liefst zou ik driftig gillen dat ie haar dan maar hier moet toveren, omdat ik haar NU wil spreken. In plaats daarvan haal ik diep adem en vraag of hij weet waar ze is. Hij grinnikt even. ,,Raad je nooit. Scouting.” ,,Met Thomas zeker?” zucht ik. Hij knikt. ,,Jep. Wie anders.” Ik weet dat ik gedag zou moeten zeggen en weg zou moeten gaan, in plaats van als een of andere zwerfhond in de regen op het tuinpad te blijven staan. Tim kijkt me even onderzoekend aan. ,,’t Is toch niet dringend ofzo?” ,,Nee, niet echt,” zeg ik. ,,Sta ik hier alleen voor niks te verregenen.” Ik pers er iets uit wat op een lachje zou kunnen lijken. ,,Kom anders even binnen,” stelt Tim dan opeens voor. Ik voel me zo eenzaam en treurig, dat ik “okee” gezegd heb voor ik het weet.
Ik hang mijn jas aan de overbekende kapstok, en het voelt raar dat ik hier nu niet voor Christa kom. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Tim vraagt of ik wat wil drinken. Eigenlijk heb ik er geen zin in, ik zit nog vol cola, maar om aardig te zijn zeg ik maar ja, doe maar Fanta.
Gelukkig verstoort een luide bonk boven ons hoofd de gespannen stilte. Tim loopt naar de trap en brult: ,,Slapen!” naar boven. ,,Mijn ouders zijn de deur uit, Christa is de deur uit, en ik zit hier de hele avond om te zorgen dat die twee de boel niet afbreken.” Nog twee harde bonken, een luid “auhauw!” en de stappen op de trap. Het volgende moment staat Nathan voor onze neus. ,,Jesse zit steeds te…” Dan ziet hij mij. ,,Wat doe jij hier?” ,,Frederique is even op bezoek,” legt Tim met nauwelijks verholen ongeduld uit. ,,Nou, wat doet Jesse?” ,,Hij trapt steeds tegen mijn matras aan,” zegt Nathan klaaglijk. Tim zucht. ,,Wacht even,” zegt hij tegen mij. Dan loopt hij naar de trap. Nathan holt triomfantelijk achter hem aan. Bij de deuropening draait hij zich nog een keer nieuwsgierig naar me om. ,,Welterusten,” zeg ik. Hij grijnst. ,,Slapen, pfff…” Ik vermoed dat Tims taken als oppasser vanavond nog niet voorbij zijn.
Ik loop naar het raam en staar de tuin in. Hij ligt er triest bij in de regen. Op de tafel waar we dinsdag nog gezellig spaghetti zaten te eten in de zon, kleven nu een paar natte bladeren en dennenaalden. Ik voel tranen opkomen als ik denk aan hoe blij ik dinsdag was. Blij is nog een understatement: ik was dolgelukkig. Christa was sceptisch. Had ze daar dan toch gelijk in of is er een goede reden dat Rogier me vanavond heeft laten zitten? Ik haal weer mijn telefoon uit mijn tasje in de hoop dat hij intussen ge-smst heeft. Maar het schermpje ziet er akelig normaal uit. Geen nieuwe berichten. Ik heb me nog nooit zo eenzaam en verloren gevoeld. Ik bijt op mijn lip. Niet huilen, alsjeblieft. Tim zit vast niet op een jankend meisje te wachten. Dan wenst hij vast dat hij me nooit binnen had gevraagd. Jongens haten meisjes die huilen.
,,Fanta wilde je, hè?” Ik schrik als ik zijn stem opeens weer achter me hoor. Snel neem ik een kalme, peinzende pose in. ,,Ja, Fanta,” zeg ik. Het klinkt verdacht hees, maar gelukkig niet huilerig. ,,Hier,” zegt hij, en zet het glas naast me neer. Hij kijkt me even oplettend aan, maar vraagt niets. Het is weer stil. Ik kan slecht tegen stilte, maar Tim lijkt zich volkomen op zijn gemak te voelen. Hij schenkt zichzelf ook een glas Fanta in en komt naast me staan. ,,Nathan en Jesse willen een poes,” zegt hij na een stilte van zeker een minuut opeens. ,,Een poes?” kras ik. ,,Maar mijn ouders willen het niet,” gaat hij verder. ,,Mijn moeder zegt dat vier kinderen al huisdieren genoeg zijn.” ,,En je vader?” vraag ik, om het gesprek op gang te houden. ,,Die is opeens allergisch. Terwijl hij op foto’s van vroeger altijd omringd wordt door honden, katten en konijnen.” Ondanks mijn miserabele toestand moet ik lachen. ,,Hé, je lacht!” zegt hij, maar nog steeds vraagt hij niets. Christa had tegen deze tijd waarschijnlijk alle onderwerpen die in de verte aan Rogier gelinkt zijn en ook met klootzakken te maken hebben, al wel afgewerkt. ,,Heb jij huisdieren?” vraagt Tim daarentegen. Ik schud mijn hoofd. Ik moet weer aan het grote, kille huis denken en staar zogenaamd heel geïnteresseerd naar een boom in de tuin. ,,Ook niet gehad?” vraagt hij door. ,,Ik had een konijn, vroeger,” zeg ik. ,,Toen we nog hiernaast woonden. Snoopy heette die, weet je dat niet meer?” Hij lacht. ,,Er begint me iets te dagen, ja. Is dat niet dat beest dat z’n naam eer aandeed en jullie hele suikerpot leegsnoepte?” Ik zie het opeens weer voor me, dat dikke witte konijn op de tafel, met een schuldige blik in z’n oogjes naast de omgevallen suikerpot. Ik giechel. ,,Eigenlijk zou ik best weer een konijn willen,” bedenk ik opeens hardop. Het grote kille huis zou er gezelliger van worden, denk ik er achteraan, niet hardop.
,,Ti-him!!” horen we dan twee stemmetjes boven ons hoofd. Tim neemt net zijn laatste slok. Hij grijnst verontschuldigend naar me. ,,Moet weer even oppascentrale spelen. Sorry.” Met twee treden tegelijk holt hij de trap op. Door het oude plafond kan ik letterlijk verstaan wat hij tegen de tweeling zegt. ,,Jongens, het is half tien. Jullie moeten nu écht gaan slapen.”
,,Maar er zit hier een mug! En hij zoemt de hele tijd.”
,,Jullie hebben toch Autan opgesmeerd? Die mug lust jullie helemaal niet meer.”
,,Nee, maar hij zoemt wél!”
,,Daar kan ik ook niks aan doen. Denk maar gewoon aan iets anders, dan val je vanzelf in slaap.”
Pappa Tim, denk ik bij mezelf. Hij klinkt lief. Niet echt als de stoere, drummende Tim die ik ken. Onwillekeurig glimlach ik. Dan herinner ik me dat ik gedumpt ben, afgedankt, in de steek gelaten, en dat glimlachen wel het laatste is dat ik in deze situatie zou moeten doen. Al zou ik ook niet kunnen bedenken wat dan het eerste is dat ik zou moeten doen. ,,Als ze nou niet gaan slapen weet ik het ook niet meer.” Opeens staat hij weer voor mijn neus. Ik schrik op en lach maar wat. ,,Kijk wat ik op hun kamer vond.” Tim haalt een dvd achter zijn rug vandaan. Finding Nemo. Als ik alleen al naar dat lieve kleine oranje visje kíjk word ik al wat blijer. ,,Kijken?” stelt hij voor. ,,Ik heb hem nog steeds niet gezien.” ,,Dat kan niet!” roep ik geschokt. ,,Deze moet je gezien hebben. Iedereen heeft ‘m al gezien!” Hij lacht. ,,Iedereen kan me niet zoveel schelen, maar ik ben wel nieuwsgierig. En de chips moet dringend op.” ,,Dat kan ik toch moeilijk weigeren,” zeg ik, en alweer vergeet ik dat ik, gezien de situatie, eigenlijk niet mag glimlachen.
8.Christa
Thomas staat al helemaal klaar voor vertrek. Ongeduldig rijdt hij heen en weer over de stoep. ,,Je bent laat,” is het eerste wat hij verwijtend zegt als ik aan kom racen en “hoi!” roep. Mijn hemel. Ik ben er nog niet en hij begint alweer op me te zeiken. Ik kijk op mijn horloge. Tien voor half negen. ,,Vijf minuutjes maar,” zeg ik. Het klinkt alsof ik me verdedig. Belachelijk. Thomas is plotseling veranderd in een enorme zeikerd, en je daartegen verdedigen is wel ongeveer het laatste wat je moet doen. Geef je ze alleen maar meer macht mee, is mijn mening. ,,Straks beginnen ze zonder ons,” dreigt hij, terwijl hij wegracet. Lijkt me een goed moment om duidelijk te maken dat ik niet van plan ben door de modder te gaan tijgeren of een ingewikkelde knoop te leren die ik nooit ergens voor nodig zal hebben. ,,Wat gaan we doen vanavond?” vraag ik voorzichtig. Hij haalt zijn schouders op. ,,Drinken, waarschijnlijk. Misschien nog een verkeersbord jatten voor in het lokaal ofzo.’ Ik ben geschokt. ,,Moeten jullie de vlag niet hijsen dan?” Thomas lacht spottend. ,,Ik weet niet wat voor beeld jij van scouting hebt, maar het is in elk geval behoorlijk verkeerd.” ,,Ik ben benieuwd,” brom ik. Daarna zeggen we geen van beiden nog iets. Ik snap niet wat er opeens aan de hand is tussen ons. Is hij me nou nog steeds aan het straffen voor mijn niet al te enthousiaste reactie van vanmiddag?
Zwijgend komen we aan bij het scoutinggebouw, aan de rand van een park. ,,Hier is het dus,” zeg ik. ,,Hier is het dus,” bevestigt Thomas. ,,Leuk kleurtje,” doe ik nog een poging.
,,Eerst was het wit,” vertelt Thomas. ,,Maar het beheer vond rood toen opeens leuker.”
,,Aha.” Ik zie niet eens een vlaggemast.
Het lokaal van de Stam, de groep waar Thomas bijzit, “speltak”, zoals hij het zelf uitdrukt, is een vochtig zoldertje helemaal bovenin het gebouw, waar je volgens mij niet levend uitkomt bij een brand. Niet dat het de allerslechtste plek is om dood te gaan, het ziet er best leuk uit. Tegen de wanden zijn foto’s en posters geplakt, in de hoek staat een verkeerszuil en hier en daar hangt een verkeersbord. Er staan twee oude banken, een ijskast en een oude tafel met zes verschillende stoelen er omheen. En, het beste: niemand heeft zo’n eng bloesje aan. ,,Hee Thomas, is dat nou je vriendin?” roept een jongen. ,,Ja, dit is Christa,” stelt Thomas me voor. 8 paar ogen staren me aan. ,,Hoi,” zeg ik. ,,Hoi,” zeggen de anderen. ,,Laat ik maar geen moeite doen met voorstellen, want dat onthou je toch niet,” zegt Thomas. ,,En bedankt weer,” reageer ik beledigd. Een paar mensen lachen. Thomas is zo galant om een stoel voor me te pakken (de banken zijn natuurlijk al bezet) en ploft zelf op de leuning van een van de banken neer, naast een meisje met zwart haar en een lippiercing. En ik maar denken dat op scouting vooral van die geitenwollen-sokken-types zaten – mijn eigen vriendje daargelaten natuurlijk. Misschien was het een beetje naïef van me om te denken dat Thomas de enige uitzondering op de hele wereld zou zijn.
,,Hallo,” grijnst het meisje, als ze ziet dat ik naar haar kijk. ,,Ik ben Dewi. Wil je de rest ook weten?” ,,Ja, doe maar,” zeg ik, om Thomas dwars te zitten. Ze noemt van alle andere zeven de namen op. Winston, Claudia, Myrthe, Daan, Fay, Willemijn en Alan heten ze, als ik het goed versta. Winston is het type klein, donker, grappig en atletisch. Zo’n jochie dat altijd wint met hardlopen, maar geen serieus gesprek kan voeren. Claudia heeft lang blond haar en grote ogen waarmee ze constant “ik weet van niets”-blikken de wereld inzendt. Wat er ook gebeurt, Claudia weet nérgens van, dat zie ik meteen. Ze doet me denken aan iemand uit een tv-serie, maar ik kan er niet opkomen wie. Myrthe weet duidelijk juist overal iets van: ze zit druk iets in Claudia’s oor te fluisteren, die nog grotere ogen opzet. Lekker stel is dat, denk ik geërgerd. Het zou me niet verbazen als ze op dit moment hun waarderoodeel over mij aan het uitspreken waren. Daan lijkt me wel aardig. Ik hoor hem net zachtjes “je moet het je niet zo aantrekken” tegen Fay zeggen. Wat Fay zich niet zo aan moet trekken wordt me niet duidelijk, maar hij geeft een bemoedigend klopje op haar arm en ik besluit dat hij aardig is. Van Fay kan ik niet zo goed hoogte krijgen. Het enige wat me duidelijk wordt is dat ze behoorlijk depri is. Ze kauwt op een sliert haar en staart verbeten voor zich uit. Willemijn is ook niet bepaald een open boek. Ze lijkt totaal niet te merken dat Fay naast haar waarschijnlijk zelfmoordplannen zit te maken, en staart dromerig voor zich uit. Ze is niet hier. Ik ken haar niet, maar ben nieuwsgierig naar waar dan wel . Alan is tenslotte duidelijk de macho van het stel. Hij heeft een helmdje aan waarin zijn gespierde armen goed uitkomen en zit wijdbeens. Hij is afschuwelijk zeker van zichzelf. Hij is het type jongen dat Frederique en ik leuk gevonden zouden hebben toen we dertien waren. Mijn smaak is gelukkig veranderd. Van Frederique weet ik dat nog niet zo zeker. Ze is nu op haar date, bedenk ik opeens. Hoe zou het zijn? Ik heb zin om Thomas’ mobiel te lenen en een smsje te sturen, al is het alleen maar om me hier een beetje een houding te geven, maar ze is waarschijnlijk toch te druk om het te lezen. Ze is bezig zich in de netten van die engerd te laten strikken. Daar kan ze mij toch niet bij gebruiken.
,,Heeft er iemand programma vanavond?” vraagt Daan. Het is stil. Dan begint iedereen te lachen. ,,Niet dus.” Ik vraag me af wat ik in godsnaam de hele avond moet gaan doen hier. Een beetje in de ruimte lullen met mensen die ik amper ken? Moet ik moeite gaan doen om ze te leren kennen? Zal ik ze vanaf nu vaker gaan zien of is dit iets eenmaligs?
,,Iemand zin om te kaarten?” stelt Daan voor. Daar heb ik helemaal geen zin in, ik ben ontzettend slecht in welk kaartspelletje dan ook, maar Thomas roept “goed plan!” dus ik heb eigenlijk weinig keus en knik maar wat. Fay ontwaakt opeens uit haar bad trip en veert op. ,,Ja, kaarten!” De rest vertoont niet veel reactie. ,,We zijn met z’n vieren, kunnen we hartenjagen,” besluit Daan energiek. Hij vist ergens kaarten vandaan en voor ik het goed en wel doorheb zitten we met z’n vieren rond de tafel. Daan wil net enthousiast de kaarten gaan ronddelen als ik vertel dat ik niet kan hartenjagen. ,,Kún je dat niet?!” valt Thomas me onmiddellijk af. ,,Hou je bek, zeikerd, daar kan zij toch niks aan doen,’ snauwt Fay tot mijn grote verbazing opeens. ,,Niet iedereen is geboren met een natuurlijke kennis van alle kaartspelletjes op aarde.” Voor iemand die een paar minuten geleden nog leek te zitten bedenken welke manier het minste pijn doet vind ik haar verrassend adrem. Thomas zucht. ,,Alsjeblieft Fay, zou je voor één avondje je slechte humeur niet op ons willen botvieren?” ,,Met jou erbij kan ik niks beloven,” kat ze, en ze stopt weer een sliert haar in haar mond. Daan probeert mij ondertussen de grondbeginselen van het hartenjagen uit te leggen, maar ik snap er nog niet al te veel van. ,,Je krijgt punten voor de harten en de schoppen vrouw, dus die moet je proberen weg te spelen,” zegt hij. Wartaal, als je het mij vraagt. ,,Hoe moet je ze dan wegspelen?” vraag ik vertwijfeld. ,,Door ze op te gooien als er een andere kleur gespeeld wordt natuurlijk!” roept Thomas voor Daan zijn mond zelfs maar open heeft kunnen doen. ,,Maar dat mag alleen als je die kleur zelf niet meer hebt!” vult Daan aan. ,,Maar het hoeft niet per se een kleur te zijn,” mengt Fay zich in de uitleg. ,,Als je harten weg wil spelen mag dat ook op ruiten, als je zelf geen ruiten meer hebt. Je hoeft harten niet per se op zwart weg te spelen.” ,,Alle harten zijn één punt, de schoppen vrouw is er dertien,” gaat Daan onverschrokken verder. ,,Wanneer krijg je die punten dan?” vraag ik, want gek genoeg heb ik niet het idee dat dat me al uitgelegd is. ,,Als je de slag krijgt natuurlijk!” roept Thomas weer voor zijn beurt. ,,Jou hebben we niks gevraagd!” blaft Fay, alsof we al jaren soulmates zijn. ,,Je krijgt de slag als je de hoogste kaart opgegooid hebt,” vertelt ze mij vervolgens heel vriendelijk. Ik begin me stiekem af te vragen wat voor soort aandoening ze precies heeft. Ik besluit dat doen alsof ik het spel snap op dit moment het verstandigst is. ,,Okee, zullen we dan maar?” bluf ik vrolijk. Daan deelt de kaarten en ik doe mijn uiterste best om naar mijn waaier te kijken met de blik van een prof. Deze houding houdt niet lang stand. ,,Kies er maar drie die je weg wilt geven,” zegt Daan. De moed zinkt me in de schoenen. ,,Weggeven? Hoezo, weggeven?” ,,Je mag je drie slechtste kaarten aan het begin van het spel weggeven,” legt Daan geduldig uit. ,,Dat is gewoon een regel. Een keer naar links, een keer naar rechts, een keer naar degene tegenover je en een keer houd je ze zelf.” Dat klinkt me redelijk logisch in de oren. ,,Okee,” zeg ik, alsof dit spelletje een cookie voor mij wordt. Nu alleen nog bedenken wat mijn slechtste kaarten zijn. Ik kijk volkomen blanco naar mijn kaarten en besluit de hoogste maar door te geven, dat lijkt me wel een veilige zet. Ik geef een klaver vrouw, een schoppen aas en een harten heer aan Thomas. ,,Ohw, Christa!” roept hij meteen. Oh god, ik heb het natuurlijk weer verkeerd gedaan. ,,Hoe kun je me nou zulke kutkaarten geven!’ roept hij er dan gelukkig achteraan. ,,Tja, dat hoort erbij,” grijns ik trots. Ik heb zelf trouwens ook behoorlijk hoge kaarten gekregen. Volgens mij heb ik die ene waar je dertien punten mee krijgt.
Om een duistere reden liggen er opeens kaarten op tafel. Klaveren. Ik gooi een willekeurige klaveren op, de tien. Gelukkig krijg ik niet alle kaarten. De twee slagen daarna gelukkig ook niet, en ik zou bijna gaan denken dat ik het al een beetje kan. Maar dan krijg ik natuurlijk opeens die dertien punten, en meteen heb ik er geen zin meer in. Nu moet ik ook nog iets kiezen om op te gooien. Vertwijfeld kijk ik naar mijn kaarten. ,,Doe iets laags,” raadt Thomas aan, en ik voel hoe mijn maag een sprongetje maakt omdat hij eindelijk weer eens iets aardigs tegen me zegt. Nou ja, je zou het als aardig kunnen opvatten. Ik gooi mijn laagste kaart op, de ruiten vier. En weer krijg ik al die kaarten. Ik snap er niks van. ,,Hoe kan dat nou! Het was een vier!” zeg ik verontwaardigd. ,,Blijkbaar heeft niemand verder meer ruiten,” legt Fay uit. ,,Oh,” zeg ik dom. Wat een stom spel, denk ik bij mezelf.
Uiteindelijk heb ik 19 punten, van de 26 die je maximaal kunt halen. Daan zegt dat hij dat nog knap van me vindt, hij had er de eerste keer 25. Toch vind ik het geen leuk spelletje. Ik voel me altijd zo dom bij kaartspelletjes. Daan en Fay vragen zich vast af wat Thomas met zo’n dom kind moet. Ik heb absoluut geen zin in nog een potje, maar omdat ik verder toch niks te doen heb hier, speel ik maar door. Ik wacht op een geschikt moment om een hele intelligente opmerking te maken, maar dat moment komt niet echt. Thomas en Fay bekvechten om de drie minuten, en verder worden er alleen opmerkingen gemaakt als “de schoppen vrouw is nog niet geweest hè” en “ze zijn voor jou”. Mijn puntenaantal stijgt, maar gelukkig krijgt Daan dan twee keer achter elkaar de schoppen vrouw, waardoor ik niet zo heel eenzaam ben met al m’n punten. Als ik de honderd punten overschreden heb, is het spel opeens afgelopen. Daan en Thomas verdwijnen naar benenden. Ik blijf achter met Fay. Ze speelt met een van haar vele zwarte plastic armbandjes. ,,En, hoe lang hebben jij en Thomas nu al met elkaar?” ,,Vier maanden,” zeg ik, maar ik klink niet zo blij en trots als normaal. Ik begin me zo langzamerhand af te vragen wat ik al vier maanden met dat stuk chagrijn moet. Al is hij pas de laatste week zo chagrijnig, sinds dat gedoe met zijn dagboek. Daarvoor was hij altijd wel lief. ,,Hij is niet makkelijk, hè?” zegt Fay opeens. Oh, dus nu kan ze ook al gedachten lezen. Ik begin haar steeds wonderlijker te vinden. ,,Soms niet, nee,” hou ik me nogal op de vlakte. Ik vertel niet graag de ins en outs van mijn privéleven aan vreemden. Fay staart voor zich uit. ,,Eerst is alles leuk een aardig, en opeens slaat ie om. Kun je niks meer goed doen. Maar net als je op je strepen wilt gaan staan, is ie weer zo lief dat je er toch maar niks van zegt.” Dat geeft de situatie tussen mij en Thomas zó treffend weer, dat ik haar sprakeloos aanstaar. ,,Hoe… hoe wéét je dat allemaal?” breng ik uit. Ze fronst haar wenkbrauwen. ,,Heeft Thomas je dat niet verteld?” Mijn maag trekt samen. Slecht nieuws op komst. ,,Eh, nee…?” piep ik. Ze zucht. ,,Ik ben zijn ex. We hebben 7 maanden verkering gehad.” Ik slik. ,,Wanneer ging het uit?” ,,Maart,” antwoordt ze. Mijn maag trekt nog meer samen. Dat is vlak voor hij mij leerde kennen. ,,Ik vond het ook een beetje snel, ja,” leest Fay opnieuw mijn gedachten. ,,Wil je ook weten waarom het uitging?” Ik staar haar aan, en zeg niks. Mijn hersens moeten teveel in één keer verwerken. Omdat Thomas nooit over ex-vriendinnetjes praatte, ging ik er altijd maar stilletjes vanuit dat hij die niet had. Maar hij heeft dus wel een vriendin gehad, en nog lang ook. Langer dan hij nu met mij heeft. En hij heeft me er nooit iets over verteld. Ik heb het gevoel dat de grond onder mijn voeten wegzakt, nu ik opeens een hele andere Thomas lijk te hebben. Langzaam schud ik mijn hoofd. ,,Nee. Ik geloof niet dat ik wil weten waarom het uitging.” Ze knikt. ,,Heb je gelijk in, zou ik ook niet willen weten. Je zou nog dingen gaan zien die er niet zijn.” ,,Precies,” zeg ik, en ik snap ook opeens waarom ze zo van streek leek vanavond. Ik heb er spijt van dat ik dacht dat ze iets mankeerde. ,,Wel moeilijk voor jou om ons samen te zien, dan…” Ze grinnikt en merkt op: ,,Ach, jullie zitten niet bepaald de hele tijd te tortelen…” Het voelt alsof ze me een stomp geeft. Het is nooit leuk om te merken dat anderen ook zien dat er iets scheef zit in je relatie. ,,Niet echt, nee,” antwoord ik plichtmatig. Tot mijn verbazig voel ik opeens tranen opkomen. Ik kan ze net op tijd wegslikken, als Thomas opeens binnenkomt en om mijn nek gaat hangen. ,,Hee lieffie, heb je het nog een beetje naar je zin?” Ik heb heel veel zin om te huilen, te gillen en hem te slaan, maar ik weet me in te houden. ,,Ik ben heel erg moe,” verzin ik. ,,De hele middag door de stad gelopen. Ik denk dat ik zo maar ga.” ,,Dan ga ik met je mee,” zegt hij meteen. ,,Ik laat jou niet alleen door dat donkere park fietsen. En wat zei je ook alweer over film kijken en bij jou blijven slapen…?” Ik voel me een beetje opgelaten met Fay zo vlakbij. Maar ik ben wel heel blij dat hij meefietst, en dat hij weer een beetje lief is. Misschien is alles wel gewoon een misverstand… Ik sta op. ,,Nou, zullen we maar gaan dan?” Ik kijk naar Fay, die naar ons zit te kijken terwijl ze weer op haar haar kauwt. ,,Ik zie je wel weer een keer,” zeg ik aarzelend. Ze pakt het velletje waarop ze de score van het hartenjagen heeft bijgehouden en krabbelt er iets op. ,,Dit is m’n MSN,” zegt ze. ,,Voeg me maar toe.” Ik beloof dat ik dat zal doen, maar ik weet het niet zeker. Aan de ene kant wil ik haar nog veel meer vragen stellen, en proberen Thomas aan de hand van haar antwoorden te doorgronden. Maar aan de andere kant wil ik ook eigenlijk helemaal niks meer met het hele geval te maken hebben, me ervoor afsluiten en gelukkig proberen te zijn.
,,Wat ben je stil,” merkt Thomas op als we het park uit fietsen. ,,Is er soms wat?” Ik haal nukkig mijn schouders op. Hij zucht. ,,Je hebt met Fay zitten praten, of niet?” Nu vraagt hij er gewoon om. ,,Tja, als jij me niks over je leven vóór mij vertelt zal ik het maar van anderen moeten horen, hè?” bijt ik hem toe. ,,Waarom heb je me nooit verteld dat je voor mij al zeven maanden een relatie gehad hebt?” Hij zucht opnieuw. ,,Fáy heeft zeven maanden een relatie gehad,” zegt hij. ,,Ik vatte het allemaal wat minder serieus op. Het klinkt misschien hard, maar ik zag het niet als een relatie.”
,,Als wat zag je het dan wel, als ik vragen mag?”
,,Ik dacht dat we gewoon goeie vrienden waren die af en toe zoenden en met elkaar uitgingen. Ik heb ook nooit gezegd dat we wat hadden. Maar toen bleek dat zij daar gewoon vanuit ging.”
,,Dat is de grootste bullshit die ik ooit gehoord heb!”
,,Het is echt waar, Christa, geloof me nou! Je hebt zelf ook kunnen zien dat Fay een dramatisch typje is. Ze leeft voortdurend in haar eigen film. Wist ik veel dat ze mij als haar vaste vriendje zag!”
,,En het heeft je zeven maanden gekost om daar achter te komen?!”
,,Ja, nou, ja, ik had natuurlijk wel zo’n vermoeden, maar ik eh… ik vond het allemaal wel gezellig dus ik liet het maar een beetje zo…tot ik opeens mee moest naar de verjaardag van haar oma, toen was ik het zat en heb ik het uitgemaakt.”
,,En net zeg je dat het niet eens aan was!”
,,Ik vond het ook weer zo hard om dat te zeggen. Heel lullig, ik weet het, maar ik heb haar maar een beetje in de waan gelaten. Maar ik had het jou natuurlijk moeten vertellen voordat zij het deed. Had ik aan moeten denken. Echt stom dat ik dat niet gedaan heb. Echt, super sorry!”
Hij kijkt me zo eerlijk aan dat ik het niet volhoud om boos te blijven. Ik wil hem geloven. ,,Nou ja, okee,” zeg ik. ,,Dat zal dan wel. Als je straks maar niet zo over mij praat tegen je volgende vriendin!”
,,Welke volgende vriendin? Ik hoef helemaal geen volgende vriendin. Ik hou van jou.”
Ik houd mijn adem in. Eindelijk zegt hij die vier woordjes waar ik al die maanden op gewacht heb. ,,Ik ook van jou,” antwoord ik ademloos. We kijken elkaar aan en grijnzen als twee blije imbecielen. De afgelopen week lijkt opeens alleen maar een boze droom. Een boze droom die we overleefd hebben. Vanaf nu zijn we samen écht sterk.
Als we de woonkamer binnenkomen, na een uitgebreide zoensessie in de schuur, denk ik heel even dat ik gek geworden ben. Want daar zitten Tim en Frederique op de bank, tussen dvd’s, lege zakken chips en lege flessen. Het ziet ernaar uit dat ze onze complete gezinsvoorraad voor drie weken opgemaakt hebben. En ze lachen. Mijn broer en mijn beste vriendin hebben samen ongelooflijk de slappe lach. Ze kijken achterom naar ons, en vegen de tranen van hun wangen. ,,Hoi!” zeggen ze precies tegelijk, en beginnen daar vervolgens weer heel hard om te lachen. Ik heb geen idee hoe dit kan, want bij mijn weten zou Frederique vanavond haar enge date hebben. Maar Vrouwe Fortuna is blijkbaar te hulp geschoten en heeft ervoor gezorgd dat ze hier nu ontzettende lol zit te hebben met mijn broer, die zo te zien nog steeds behoorlijk gek op haar is. Ik besluit niets te zeggen. Wij kunnen het toch alleen maar verstoren. Ik pak Thomas’ hand en stilletjes sluipen we de kamer uit.

0 Comments:
Post a Comment
<< Home