Schrijfbeest verhaal: Het Fenomeen Vriendje

Frederique wil een vriendje. Heel, heel graag zelfs. Maar vriendjes komen niet uit de lucht vallen. Je moet er actief naar zoeken en ze aan de haak slaan. Of zijn ze er al de hele tijd? Christa heeft een vriendje, van wie ze heel veel houdt. Maar dingen beginnen uit elkaar te vallen vanaf het moment dat ze per ongeluk opeens zijn dagboek in haar handen heeft. Waar trek je de grens tussen doorgaan en dumpen?

Monday, October 23, 2006

Hoofdstuk 19 en 20

19. Frederique
,,Je hebt wát met zijn dagboek gedaan?!”
,,Ik heb het in het bad gegooid,” herhaalt Christa zelfvoldaan. Ik schuld mijn hoofd, ongelovig maar vol bewondering. ,,Wauw. Wat een toepasselijke manier om hem terug te pakken. Ik wou dat ik zoiets kon verzinnen.” Ze grinnikt. ,,Ik verzon het niet echt. Ik keek gewoon toevallig achterom, en ik zag dat er water in dat bad stond. Ik dacht er eigenlijk helemaal niet bij na.” Het is even stil. ,,En nu is het dus uit…” zeg ik dan voorzichtig. Ze knikt gelaten. ,,Nu is het dus uit.” ,,Vertel verder,” spoor ik haar aan. ,,Hoe ging het?”
En ze begint verder te vertellen, over hoe kwaad Thomas werd (begrijpelijk) en hoe ze zich uit de voeten gemaakt heeft. Ik hoor wat ze allemaal zegt, ik voel met haar mee, maar toch ben ik er niet helemaal bij. Ik gloei nog na van een hele avond knuffelen en zoenen met Tim. En ergens voel ik me ook een heel klein beetje schuldig, omdat ik nu iets weet dat zij niet weet. Niet mág weten, zelfs. Maar ik laat niets merken. Ik veer op als ze vertelt dat ze zijn andere vriendin heeft gezien toen ze haar fiets pakte. ,,Maar hoe wist je dan dat zij het was?” Christa lacht schamper. ,,We stonden allebei voor hetzelde huis. En Thomas is enig kind.” ,,Rood haar?” vraag ik voorzichtig. ,,Rood haar,” bevestigt Christa. Het bewijs is geleverd. Het meisje dat Christa vandaag gezien heeft, is absoluut hetzelfde meisje dat ik zaterdag met Thomas in de stad gespot heb. We zijn er even stil van. Dan stompt Christa opeens hard tegen een kussen. ,,Wat een hufter, wat een klootzak, wat een gevoelloze lul!” Ik wil mijn arm al om haar heen slaan, maar ik zie dat haar ogen droog zijn. Ze is kwaad, niet meer een hoopje ellende, zoals zaterdag. Het verdriet verlamde haar, de woede geeft haar juist power. Opeens besef ik dat ik die power al even niet meer bij haar gezien heb. Ze was een beetje timide, de laatste week. Niks voor haar. Ongelovig schud ik even mijn hoofd. En dat allemaal door een jongen. Waarom riskeren we dat toch steeds, dat een jongen ons verandert? Hoe kan het toch dat jongens die macht over ons hebben? Ik spreek bij deze met mezelf af dat Tim dat effect niet op mij zal hebben. Ik zal blijven wie ik ben. Of is het kwaad al geschied? Dankzij Tim heb ik tenslotte ingezien hoe oppervlakkig Kim eigenlijk is. Hoort dat al bij veranderen? Hoe zit het met gunstige effecten? Ik ben zo hard aan het piekeren, dat ik niet heb gemerkt dat Christa is opgestaan. Ze lacht als ze mijn verdwaasde blik ziet. ,,Hee, ik wil je niet weg hebben ofzo, maar ik denk dat ik lekker ga slapen,” zegt ze, en het klinkt verbazend normaal. ,,Red je je wel in je eentje?” vraag ik bezorgd. Ze knikt. ,,Ik ben juist opgelucht. Ik denk dat ik heerlijk ga slapen vannacht. Ik hoef nergens meer over te piekeren. En anders is jouw vriendje altijd nog in de buurt om me gerust te stellen.” ,,Nou, vriendje, vriendje…” begin ik meteen te protesteren. ,,Ik weet ook weer niet of het zover komt, hoor…” ,,Vast wel,” zegt Christa kalmpjes. En ik voel weer een steek van schuldgevoel. Tim en Thomas. Auw. Ik moet echt gauw met Tim gaan overleggen wat er ethisch verantwoord is in deze situatie. Nu probeer ik mijn pokerface maar weer eens uit, zeg welterusten en je kunt altijd bellen, en loop naar beneden. Tim zit voor de tv met zijn ouders. ,,Ik ga er vandoor,” kondig ik aan. Hij veert op. ,,Ik laat je even uit.” ,,Dag Frederique,” zeggen de ouders in koor.
Het “uitlaten” duurt minstens een kwartier. Als ik me eindelijk los heb weten te maken uit Tims armen, voel ik me helemaal warm van binnen. Zou Christa gelijk hebben, wordt Tim mijn eerste echte vriendje? Wat zou ik het hem graag vragen. Maar dat doe ik natuurlijk niet. ,,Slaap lekker,” zeg ik in plaats daarvan. ,,Ik bel je,” belooft hij. ,,Dat is goed,” antwoord ik losjes. Ik hoop dat Tim zo’n zeldzame jongen is die ook daadwerkelijk belt. Maar daar ga ik me nu nog even niet druk om maken. Nu ga ik eerst eens uitvoerig nagenieten.

De weken gaan opeens heel snel voorbij. Ik spreek veel af met Tim: bij hem (en Christa) thuis, bij mij thuis, in de stad, in het park… Ik denk dat ik hem nu wel mijn vriendje mag noemen. Het gaat geweldig tussen ons. We begrijpen elkaar helemaal, en we begrijpen geen van beiden dat we elkaar nooit eerder zo gezien hebben. Ik verbaas me erover dat ik zo lang zo moeilijk heb gedaan over het krijgen van een vriendje, terwijl het in feite zo makkelijk is. Als de ingrediënten aanwezig zijn, gaat het vanzelf. Maar dat kun je je niet voorstellen als je single bent en kijkt naar al die schattige koppeltjes om je heen, terwijl jij maar achter jongens aan blijft lopen van wie je achteraf alleen kunt zeggen: he’s just not that into you. Op die momenten kun je je niet voorstellen dat je ooit moeiteloos gelukkig met een jongen zult zijn, zonder je te hoeven afvragen of het wel wederzijds is. Als dat zo is voel je het gewoon, dat kan ik je verzekeren. Maar ik weet dat het moeilijk is om daarin te blijven geloven als je ongeduldig bent, of een beetje eenzaam. Zeker als je ook nog een heel eisenpakket hebt, zoals ik had. Ik moet een beetje om mezelf lachen als ik daar nu aan denk. Tim woont nog thuis. Hij blowt af en toe met zijn vrienden. En eigenlijk is zijn haar wel een beetje aan de lange kant. Ziedaar; al drie punten op mijn zwarte lijstje. Officieel zou Tim mijn vriendje dus helemaal niet mogen zijn… Maar natuurlijk heb ik daar nu maling aan. Ik heb mijn eisenpakket uit het raam gegooid, en ik kan het iedereen aanraden.

Het is inmiddels herfstvakantie, en Tim en ik maken een boswandeling. Zo nu en dan dwarrelt er een geel blaadje naar beneden, dat voor ons op de grond landt, of, zoals één keer, in Tims haar. We lopen hand in hand. Ik probeer me voor te stellen dat ik iemand anders ben, en ons zie lopen. Wat een lief, gelukkig stelletje, zou ik denken. Of zijn we helemaal geen stelletje? We hebben het er nog nooit écht over gehad. Stel dat het tussen ons net zo gaat als tussen Thomas en die Fay waar Christa het steeds over heeft. Dat Tim denkt dat we gewoon lol hebben. Dat het voor hem verder niks betekent. Plotseling slaat de angst me om het hart. Stel dat dat waar is. Stel dat ik helemaal niet écht een vriendje heb.
,,Is er wat?” vraagt Tim. ,,Je bent opeens zo stil.” ,,Nee, er is niks,” lieg ik. Niet erg overtuigend blijkbaar, want Tim geeft een kneepje in mijn hand en zegt: ,,Kom op. Voor de draad ermee!” Ik zucht. Durf ik dit wel? Durf ik nu écht te zeggen wat er is? Ook als het alles kapot kan maken? Zou er nu opeens een einde kunnen komen aan die mooie weken? Help. Ik durf dit écht niet. Hoe kan ik het trouwens vragen zonder een complete idioot te lijken? ,,Beloof me dat je niet gaat lachen,” piep ik. ,,Ik zal niet lachen,” belooft Tim.
,,En beloof me dat je niet boos wordt!” ,,Ik zal ook niet boos worden,” belooft hij. Ik knijp mijn ogen even dicht en haal diep adem. ,,Hoezithetmetons?” flap ik eruit.
,,Hoe het met ons zit?”
,,Ja, hoe zit het met ons? Ik bedoel, waar gaat dit heen? Ik bedoel, niet dat ik je niet vertrouw ofzo, maar gewoon… hoe zit het?”
,,Is dat nog niet duidelijk dan?”
,,Eh… nee?”
,,Nou… hoe het volgens míj zit…” Oh, help. Dit is echt zenuwslopend. Waarom laat hij nou zo’n enge stilte vallen? ,,Nou? Hoe zit het volgens jou?” Ik voel dat mijn hand helemaal zweterig is geworden. Bah. ,,Volgens mij hebben wij iets met elkaar,” zegt Tim kalmpjes. ,,Echt?” piep ik schril. ,,Vriendje en vriendinnetje? Alles erop en eraan? Meen je dat?” Hij lacht en neemt me in zijn armen. ,,Twijfelde je daaraan dan?” ,,Nee hoor…” lieg ik. ,,Ik wou het alleen maar even zeker weten.” We geven elkaar een lange zoen. Ik heb een vriendje, ik heb een vriendje, ik heb een officieel vriendje! juich ik vanbinnen. Even denk ik dat ik zal barsten van geluk.

20. Christa
Ik kauw op mijn pen en staar naar buiten. Op het schoolplein pikken twee duiven lusteloos in de resten van het lunchpakketje dat iemand achteloos op de grond heeft gegooid. Een eenzaam brugklassertje stapt op haar fiets en rijdt weg. Het motregent. Ik zucht. Binnen drenst mijn leraar Duits maar door over Oost-Duitsland, de Bundesrepublik en Ostalgie, wat dat ook moge zijn. Ik geloof in elk geval niet dat mijn gespannen aandacht erbij vereist is.
Ik droedel wat in mijn schrijfblok en denk aan Thomas. Het is nu al een maand uit tussen ons. En al die tijd heb ik hem niet gezien. Ik mis hem. Ik mis zijn absurde gevoel voor humor, ik mis het vrijen, ik mis het samen rondhangen en niksdoen, ik mis de lieve woordjes. Ik mis de tijd dat het nog leuk tussen ons was, de tijd dat ik op wolkjes liep. Natuurlijk mis ik de stress en de zorgen van de laatste week niet, en ik heb er ook nog steeds geen spijt van dat ik uiteindelijk op onderzoek ben uitgegaan. Maar ik vind het gewoon zo jammer. Dat het zo gelopen is. Dat Thomas er zo nodig een tweede vriendin op na moest houden. Dat hij gewoon niet was wie ik dacht dat hij was. Ik voel me verraden, in de steek gelaten, bedrogen. Dat zal wel slijten, ik weet het. Ik voel me nu al beter dan een maand geleden. Het gaat op en af. Ik voel me een paar dagen lekker, en dan ben ik er zeker van dat ik er overheen aan het komen ben. En dan opeens voel ik me weer een paar dagen klote, en dan ben ik er weer zeker van dat ik over een jaar nóg niet over Thomas heen ben. Het enige voordeel is dat ik me geen zorgen hoef te maken over of hij al een nieuwe vriendin heeft, want die had hij blijkbaar de hele tijd al. Frederique noemde me cynisch toen ik dat laatst zei. Ja, zij heeft makkelijk praten, met haar knusse relatie. Het is niet dat ik het haar en mijn broer niet gun; ik vind ze een heel lief stel en ik hoop voor ze dat het lang gaat duren tussen hen. Het is alleen dat stelletjes een ramp zijn om om je heen te hebben als je eigen liefdesleven even geen donder voorstelt. Ik begrijp nu hoe Frederique zich gevoeld moet hebben. Die keer dat ze ons in de stad tegenkwam bijvoorbeeld, terwijl ik al maanden niet meer met háár gewinkeld had. Ik ben er één keer voorzichtig over begonnen, maar ze wuifde het weg. ,,Ach joh, dat maakt nou toch niet meer uit.” Daar had ze ook wel gelijk in. Ze weet hopelijk wel dat ik het de volgende keer anders aan zal pakken, nu ik in zo’n dal gezeten heb. Zonder haar steun was ik nergens geweest. Stiekem weet zij dat net zo goed als ik. Eigenlijk heeft mijn breuk met Thomas en haar ontluikende liefde voor Tim ons weer dichter bij elkaar gebracht. Ik had even het gevoel dat we uit elkaar aan het groeien waren, maar dat is helemaal over. Ze raakt weer steeds meer tutje-af, en ik ben er blij mee. Hoewel ze blijft roepen dat ze absoluut niet wil veranderen nu ze een vriendje heeft, heeft Tim een gunstige invloed op haar.
De bel gaat. ,,Bedankt voor jullie aandacht,” zegt meneer Keijzer formeel. ,,Vooral jij Christa,” voegt hij er nog even vals aan toe. De zak. Ik reageer er niet op. Ik slinger mijn tas over mijn schouder en loop het lokaal uit.

Als ik thuiskom, zie ik dat er een foto op de tafel ligt, met een briefje erop. Ik gooi mijn tas op de grond. Nieuwsgierig pak ik de foto op. Het is een klassefoto. 1F, 1998 staat er met gouden lettertjes op gedrukt. Tims brugklas?! Wat doet die daar nou? Ik buig me over het briefje.

Hoi zus!Kijk eens goed of je iemand herkent op deze foto! Ik dácht al dat ik hem ergens van kende…
Tim.


Ik frons mijn wenkbrauwen. Waar slaat dit allemaal op? Het lijkt wel zo’n cryptisch opdrachtje van een stomme speurtocht. Ik laat mijn blik over de gezichten glijden. Plotseling stokt mijn adem. Ik breng de foto wat dichter naar mijn gezicht en kijk nog eens heel aandachtig. Het kan niet missen. Het is hem echt. Thomas heeft bij Tim in de brugklas gezeten.
Ik loop naar de voorkamer en laat me op de bank vallen. Ik snap er niks van. Waarom is Tim hier nooit eerder mee gekomen? Heeft hij Thomas in al die maanden niet één keer herkend? Oké, zijn brugklastijd is alweer even geleden, maar toch. Hij zal het toch niet bewust voor me verzwegen hebben? Nee, dat zou hij nooit doen. Toch…? Nee, Christa, zeg ik steng tegen mezelf. Dat zou hij nooit doen. Nu niet weer zo paranoïde gaan doen. Jij zou ook niet iedereen uit je brugklas herkennen. De meesten veranderen nogal in de tussentijd. Bovendien heeft Thomas vanaf de tweede op de Vrije School gezeten. Tim heeft hem na de brugklas nooit meer gezien. En waarschijnlijk was Thomas best een onopvallend jochie.
Ik pak de foto en kijk weer naar zijn gezicht. Het mag eigenlijk een wonder heten dat ík hem herkend heb. Maar ik heb natuurlijk ook een paar foto’s van hem als kind gezien, op het dressoir bij hem thuis. Anders had ik het misschien ook niet gezien. Op deze foto is Thomas echt nog een jongetje. Nu is hij bijna twee meter, daar lijkt hij kleiner dan de rest. Zijn nu vrij lange haar is daar gemillimeterd, en hij draagt een sweater met een plaatje van een zogenaamd stoere skater. Ik zucht en laat de foto op de grond dwarrelen. Waar hou ik me nou eigenlijk mee bezig? Waarom wilde Tim me deze foto überhaupt laten zien? Het doet er niet meer toe. Het is niet meer belangrijk. Het is voorbij. Nu, na een maand, moet ik Thomas en onze hele tot mislukken gedoemde relatie maar eens gaan loslaten, hoe moeilijk dat ook is. Maar ik wil niet meer in het verleden leven.
Ik hijs mezelf van de bank en pak de foto van de grond. Ik loop naar de kast en trek de la open waarin mijn moeder de fotoalbums en losse foto’s bewaart. Ik pak het album waarop staat “1998-1999” en schuif de foto tussen de bladzijden. Dan duw ik de la resoluut dicht. Maar ik ben nog niet klaar. Ik loop naar mijn kamer en zoek in mijn sieradendoosje. Daar zijn ze; de oorbellen die ik van Thomas kreeg, die middag in de stad. Ik heb ze niet meer gedragen sinds het uit is. Maar dat is niet genoeg. Ik wil ze weg hebben. Ik pak een lege schoenendoos. Daar gooi ik ze in. Samen met een T-shirt dat Thomas hier een keer heeft laten liggen, een briefje dat hij een keer onder mijn dekbed verstopt had, een cd-rom waarop hij één of ander stom spel voor me gebrand had, een melige foto die we een keer in zo’n hokje op het station hebben laten maken, en de overgebleven inhoud van een pakje condooms. Ik doe de deksel op de doos. Om mijn daad kracht bij te zetten, tape ik ‘m ook nog eens dicht met plakband dat ik op mijn bureau vind. Ik slaak een diepe, diepe zucht. Zo. Nu alleen nog besluiten wat ik met die doos ga dóen.
Plotseling heb ik een idee. Ik pak de doos en loop naar beneden, de tuin in. Ik haal een schep uit de schuur. Ingespannen tuur ik naar de struiken. Waar was het nou ook alweer?
Opeens zie ik de bekende inham. Daar was het. Onze schatplaats. Daar begroeven Tim en ik vroeger onze schatten. En daar zal ik ook nu mijn schat begraven.
Ik begin te graven. Terwijl ik bezig ben, laat ik nog één keer onze hele relatie aan mijn geestesoog voorbij trekken. Onze ontmoeting bij het nachtkanoën. Onze eerste dates. Onze eerste zoen. Onze eerste keer seks. Onze geweldige zomer samen. Onze eerste echte ruzie. Onze rampweek. En tenslotte ons einde.
De kuil is klaar. Voorzichtig, bijna teder, leg ik de doos erin. Ik druk een kus op mijn hand en leg mijn hand even op de deksel. Vaarwel, Thomas. En vaarwel, een deel van mij. Ik neem nu echt afscheid. Ik laat het achter me. Ik ga verder. Met tranen in mijn ogen maak ik de kuil weer dicht. De schep gooi ik terug in de schuur. Ik veeg mijn tranen weg en kijk nog één keer naar de schatplaats. Dan draai ik me om en loop ik naar binnen.

Epiloog
Tim
Morgen heb ik precies een half jaar iets met Frederique, en dinsdag is nog steeds (of: nu echt) mijn vaste kookavond. Fluitend roer ik door mijn zelfbedachte pastasausje. Ik word hier echt steeds beter in. Met mijn vrije hand voel ik even in mijn zak. Het platte doosje zit er nog. Het doosje met het kettinkje voor Frederique, ter ere van ons halfjarig jubileum. Dat kettinkjesgedoe hoeft voor mij nooit zo, maar ik weet zeker dat zij het geweldig gaat vinden. En dat is voor mij reden genoeg om haar een kettinktje cadeau te geven. Ik heb er niks in laten graveren, want ik weet zeker dat ze dat vreselijk zou vinden. Het is gewoon een smal zilveren kettinkje met een klein hartje eraan. Perfect voor Frederique. Ik kijk glimlachend uit het raam. Daar loopt ze rond te rennen in de tuin. Ze doet één of ander spelletje met mijn broertjes. Het lijkt wel of ik haar elke dag liever ga vinden. Nooit geweten dat zoiets kon.
Christa komt de keuken binnenstormen. ,,Weet je zeker dat dat zelfverzonnen sausje van je gaat lukken? Ik wil niet dat hij de eerste keer dat hij hier komt eten meteen iets ranzigs krijgt!” Christa is in alle staten vandaag. Haar nieuwe vriendje komt namelijk eten. Daan heet hij. Het schijnt dat ze hem heeft ontmoet toen ze die ene keer met Thomas mee ging naar scouting. Toen is ze bevriend geraakt met Fay, een ex van Thomas, en op Fays verjaardagsfeestje kwam ze Daan een paar weken geleden weer tegen. Blijkbaar was het toen opeens liefde op het eerste gezicht. Bizar verhaal. Maar krijg je niet bijna altijd een bizar verhaal als je mensen vraagt hoe ze hun partner ontmoet hebben? ,,Het wordt heerlijk,” beloof ik Christa, en ik hou haar de lepel voor. Maar net op dat moment gaat de deurbel, en ze vliegt naar de deur.
Een kwartier later zitten we allemaal om de tuintafel. Die Daan van Christa lijkt me een prima gozer. En duidelijk gek op haar. Ja, ik mag hem wel. Hij lijkt me stukken beter dan die afschuwelijke Thomas. Frederique zit tegenover me. Ze glimlacht naar me. Haar glimlach lijkt ook met de dag mooier te worden. Ik glimlach terug. Ze weet nog niets over het kettinkje, maar dat krijgt ze straks. De zon schijnt. Mijn sausje valt in de smaak. Iedereen is vrolijk. Christa en Frederique moeten vreselijk lachen om een grapje dat zij alleen snappen. Daan en ik wisselen een blik van verstandhouding. We lijken one happy family. Ik ben niet naïef; er zullen heus nog wel problemen komen, dat weet ik wel. Tussen mij en Frederique, en tussen Christa en die gloednieuwe Daan van haar. Maar nu al alles gelukkig eventjes perfect. Goh, denk ik opeens, dit zou een prachtig einde van een boek zijn.

0 Comments:

Post a Comment

<< Home