Schrijfbeest verhaal: Het Fenomeen Vriendje

Frederique wil een vriendje. Heel, heel graag zelfs. Maar vriendjes komen niet uit de lucht vallen. Je moet er actief naar zoeken en ze aan de haak slaan. Of zijn ze er al de hele tijd? Christa heeft een vriendje, van wie ze heel veel houdt. Maar dingen beginnen uit elkaar te vallen vanaf het moment dat ze per ongeluk opeens zijn dagboek in haar handen heeft. Waar trek je de grens tussen doorgaan en dumpen?

Monday, October 23, 2006

Hoofdstuk 13 en 14

13. Frederique
Zodra ik mijn ogen opendoe realiseer ik me dat de vier uurtjes slaap die ik gehad heb mijn toestand alleen maar erger gemaakt hebben. Om mijn gedachten te verzetten heb toen ik thuiskwam eerst nog een of andere arthousefilm van mijn moeder zitten kijken. Daarna heb ik nog een hele tijd zinloos langs de kanalen zitten zappen. Toen ben ik braaf in bed gaan liggen, maar had niet verwacht dat überhaupt zou slapen. Dat is blijkbaar toch het geval geweest, maar ik ben er niet veel mee opgeschoten. Gisteravond lijkt nog even verwarrend als vier uur geleden. Christa’s hart compleet aan gruzelementen. Met Tim gezoend. Mijn God. Met Tim gezoend. En Christa’s hart compleet aan gruzelementen. Mijn oma zegt altijd: ,,Een ongeluk komt nooit alleen.” Daar heeft ze verdomd veel gelijk in.
Tim. Zijn groene ogen met gouden spikkels. Hij kan heerlijk zoenen. Ik betrap mezelf erop dat ik hem weer wil zien. Liefst vandaag. Liefst lang. Liefst alleen. Zou ik hem leuk vinden?
Nee. Uitgesloten. Ik val immers niet op jongens die nog thuis wonen. En eigenlijk is zijn haar ook wel iets te lang. Kortom; het kan absoluut niet het geval zijn dat ik Tim leuk vind.
Maar die zoen dan. En hoe lief hij zijn zusje beschermt. En hoe ontzettend aardig hij was toen ik eergisteren drijfnat en half huilend bij hem op de stoep stond. Misschien compenseren die dingen zijn minpunten wel. Misschien is hij juist perfect omdat hij niet perfect is.
Dat is een nieuwe gedachte. Heb ik hiervoor niet altijd gezegd dat ik geen genoegen neem met de eerste de beste? Maar Tim is niet de eerste de beste. Tim is lief en warm. En hij moet mij ook wel een klein beetje leuk vinden, anders had hij me niet gezoend. Maar zou hij me ook zo leuk vinden dat hij me weer wil zoenen? En weer, en weer, en weer? Zou hij me zo leuk vinden dat hij mij als zijn vaste vriendinnetje wil? Oh, hou toch op Frederique! Ik vind het tijd worden om mezelf tot de orde te roepen. Ik bedoel, hoe lang is het nou helemaal geleden dat Tim en ik samen film keken? Nauwelijks twee dagen. Over dingen overhaasten gesproken! Een week geleden om deze tijd lag ik in bed over een andere jongen te piekeren. Rogier. De hufter. Ik besef opeens dat ik gisteren de hele avond niet aan hem gedacht heb. Zo diep zat de verliefdheid blijkbaar nou ook weer niet. Ik kan me zelfs amper voorstellen dat mijn avond met hem pas een week geleden is. Er is zoveel gebeurd deze week, dat ik het nauwelijks kan bevatten.
Ik zucht en draai me om. Er is meer gebeurd dan er in één week mag gebeuren. Dit alles zou gespreid moeten worden over een maand. Ik denk dat ik vandaag maar eens rust moet nemen, voor ik allemaal rare dingen ga denken en verkeerde beslissingen neem. Ik bedoel, de gedachte aan Tim als mijn vriendje mag toch met recht “raar” genoemd worden. Oké, het zoenen was leuk, maar dat was het ook: gewoon zoenen. Niets meer en niets minder. Het gebeurde gewoon vanzelf. Dat is alles. Tim blijft gewoon de grote broer van mijn beste vriendin. Klaar.
Zo. Dat is al een probleem minder. Nu heb ik er nog maar twee. Eén van die twee is de arme Christa. Ik vraag me af hoe het nu met haar gaat, of ze al wakker is, of ze eigenlijk wel geslapen heeft vannacht. Ik zal haar straks bellen. Hopen dat ze haar mobiel wel aanzet, want ik heb geen zin om de huistelefoon te gaan bellen. Straks krijg ik Tim aan de lijn. Wat moet ik dan zeggen? Ik kan moeilijk zomaar vragen of Christa er is na gisteravond. Maar ik weet nu al dat ik door de grond ga als ik een of ander praatje aan probeer te knopen. Maar goed, dat is van later zorg. Misschien neemt ze haar mobiel wel gewoon op.
En anders… nou ja, dat zie ik dan wel weer.
Nu heb ik nog maar één probleem over: ik moet Kim nog vertellen dat Rogier me heeft laten zitten. Schaamte, schaamte. Ik kan een of ander lulverhaal ophangen, maar dat komt natuurlijk altijd uit. Nee, ik zal moeten toegeven dat ik een loser ben die geen leuke jongen aan zich weet te binden. Gelukkig sta ik er wat dat betreft wel iets beter voor dan gisterochtend: ik kan nu tenminste zeggen dat ik wél met een andere jongen heb gezoend. Of ik er ook bij vertel wie, dat weet ik nog zo net niet. Ik denk dat ik maar probeer het mysterieus te houden. Ik denk niet dat Christa’s broer hoge ogen gooit bij iemand als Kim. Zij kent hem tenslotte niet. Zij weet niet hoe lief en… ho, stop, ophouden nou. Daar zou ik niet meer aan denken, had ik met mezelf afgesproken. Kim, dat was nu het onderwerp. Denk aan Kim. Denk aan Kim.
Maar het lukt niet. Ik kan geen onderwerp meer verzinnen dat met Kim te maken heeft. Ik kan alleen maar aan Tim denken. Kim weet niet hoe lief en warm en aardig en begripvol en… knap hij is!!! Hou op! En ze weet ook niet hoe lekker hij kan zoenen! Kappen nou! Ander onderwerp! Hij zoende met gevoel!
Wanhopig gooi ik het dekbed van me af. Ik heb hier te lang gelegen; mijn gedachten gaan in een kringetje ronddraaien. Tijd om op te staan en me met gezondemensendingen bezig te gaan houden.

Als om half drie mijn telefoon gaat, heb ik al een hoop gezonde dingen gedaan. Ik heb lang gedoucht, nog langer gedaan over het uitzoeken van kleren (niet te leuk, want alleen mijn ouders zien me vandaag, maar ook niet te slonzig) en uiteindelijk gekozen voor een spijkerbroek en een felblauw bloesje. Ik heb zondags ontbeten met mijn ouders: zoals altijd voor het grootste deel in stilte. Ik heb een poging gedaan tot het bijwerken van mijn wiskundehuiswerk, maar aangezien ik niet veel van die normale verdeling snap, kwam ik niet ver. Ik heb geprobeerd een Duits verhaal te lezen voor mijn handelingsdeel, maar in de derde zin stond al een woord dat ik niet kende en ik kon zo snel geen woordenboek vinden. Ik heb geprobeerd me te concentreren op het boek dat ik voor mezelf aan het lezen ben, maar het leek alsof de woorden niet doordrongen: ik moest iedere zin drie keer opnieuw lezen voor ik begreep wat er stond. Ik heb geluisterd naar het telefoongesprek dat mijn moeder met haar zus zat te voeren, tot ze me in de gaten kreeg en de kamer uitliep.
Nu gaat mijn eigen telefoon. “Kim belt” staat er vrolijk in het schermpje. Oh shit. Nu zullen we het krijgen. Ik kan natuurlijk ook gewoon niet opnemen, maar dat is alleen maar uitstel van executie. Ik kan beter meteen opbiechten wat er gebeurd is, hoe moeilijk dat ook is. Zelfs als Kim dan besluit me vanaf nu een verschrikkelijke loser te vinden, ben ik er in ieder geval vanaf. ,,Met Frederique,” neem ik dus maar braaf mijn mobiel op.
,,Haaai! Met Kim! Hoe is het?”
,,Oh, goed hoor, met jou?”
,,Ja, lekker, heb alleen een enorme kater man! Maar, hé, ik had dus een vraagje…”
,,Ja?”
,,Omdat ik me dus vreselijk zit te vervelen, en echt, het is ook niet eens koopzondag! Ik vind echt dat dat elke zondag zou moeten zijn, weet je dat? Ik bedoel, als je zin hebt om te winkelen, moet je dat toch gewoon kunnen doen, ook al is het zondag?”
,,Ja. Maar je had een vraagje?”
,,Oh ja. Ik dwaal weer helemaal af! Nee, maar, wat ik dus wou vragen, zullen we een terrasje pakken?”
Shit. Dat is dus ongeveer het laatste waar ik nu zin in heb. Maar ik kan zo snel geen goeie smoes verzinnen, dus voor ik het weet heb ik al ja gezegd. ,,Toppie!" juicht Kim. ,,Over een half uurtje bij 't Hoedje dan maar?" ,,Ja, is goed," zeg ik, proberend mijn moedeloze toon te verbergen. Dat lukt; Kim roept ,,tot zo dan!" en hangt op. Ik slaak een diepe zucht.

Kim zit al op het terras als ik aan kom fietsen. ,,Hoi!!” roept ze, zodra ze me ziet. Verscheidene mensen kijken op. Plotseling schaam ik me een beetje voor haar. Dat uitbundige vond ik eerst altijd geweldig, maar vandaag heb ik even geen zin om de mooiste en de leukste te zijn. Vandaag wil ik niet opvallen. Blijkbaar is dat te zien, want zodra ik zit, zegt Kim: ,,Chick, wat zie je eruit! Jij hebt ook een zware nacht gehad zeker?” Ze lacht samenzweerderig. Ik glimlach maar wat. Kim vat het duidelijk op als een instemming. ,,Het is Rogier, hè? Ik wil alles weten! Je zat gisteren zeker ook bij hem?” ,,Nou, eh…” begin ik, maar ik kan mijn zin niet afmaken, want een verveelde serveerster komt naar ons toe. ,,Wat willen jullie drinken.” Het is niet eens een vraag, het is één monotoon geluid geworden. Dit is duidelijk iemand die lol heeft in haar werk. Kim bestelt droge witte wijn. Ik volg haar voorbeeld, al houd ik eigenlijk meer van zoet.
Zodra de serveerster weg is, leunt Kim over de tafel. ,,En? Hou me nou niet langer in spanning! Ik wil het hele verhaal horen!” Ik haal diep adem. ,,Er is eigenlijk niet zoveel te vertellen.” Kims ogen worden groot. ,,Niet?!” ,,Niet over Rogier, tenminste,” verbeter ik mezelf. ,,Rogier, eh… Rogier heb ik niet gezien.” ,,Niet gezien?!” echoot ze. ,,Ben je hem misgelopen dan? Ik bedoel, hij heeft je toch niet laten zitten?” Ik slik. ,,Jawel.”
Kim laat zich achterover vallen in het rieten stoeltje. ,,Goh,” zegt ze. ,,Hoe kan dat nou?” Blijkbaar is dit háár nog nooit overkomen. Ze lijkt zich nu voor het eerst bewust te zijn van de mogelijkheid dat een jongen je laat zitten. Ik zie dat ze me kritisch bekijkt. ,,Wanneer heb je hem ook alweer gebeld?” ,,Dinsdag,” geef ik schoorvoetend toe. Ze zucht. ,,Dan moet dat het zijn. Je had hem woensdag of donderdag pas moeten bellen. Je bent gewoon te needy geweest.” ,,Oh,” mompel ik. Zie je wel, zie je wel! Ze vindt me een loser. Ik heb het helemaal verkeerd aangepakt. Ik heb het niet gedaan zoals zij het gedaan zou hebben. Het wordt niks met mij. Ze zal dit aan Daisy en Miranda vertellen, en die zullen me dan nog zieliger vinden dan ze me altijd al vonden. Het is duidelijk: ik lig eruit.
Ik voel me zo’n droevig geval, dat ik besluit mijn enige troef uit te spelen. ,,Maar er is wel iets anders gebeurd.” Kims ogen vernauwen zich; ze heeft er blijkbaar niet veel vertrouwen in. ,,Oh? Wat dan?” vraagt ze, maar het klinkt een stuk minder geïnteresseerd dan daarnet.
,,Nou, ik ging naar Christa, maar ze was niet thuis, en toen heb ik de hele avond film gekeken met haar broer. Tim. Het was echt supergezellig. En gisteren…” Kim onderbreekt me. ,,Wacht even. Toch niet die drummer van The Garlics?” Opeens merk ik dat ik niet eens wist hoe Tims bandje heet. ,,Hij drumt, ja, dus dat kan wel kloppen,” zeg ik. ,,Jaaa, hij heeft bij mijn broer in de klas gezeten!” joelt Kim, zoals altijd dolblij wanneer ze iemand blijkt te kennen. ,,Echt zo’n sukkel was dat. Ik lachte me altijd kapot om de verhalen die mijn broer over hem vertelde.” Het feit dat ik net verteld heb dat ik een gezellige avond met hem heb gehad lijkt haar te ontgaan. ,,Eén keer hadden die gasten, die lui van dat bandje dus, zo’n actie op touw gezet om geld op te halen voor een uitgebreider kantineassortiment of zoiets. Zo kansloos! Gingen ze alle klassen langs met zo’n zielig spaarpotje. Toen had de Leeuw, je weet wel, die vent van wiskunde, dat spaarpotje ingenomen. Echt geniaal!” Ik zwijg. De chagrijnige serveerster zet zonder iets te zeggen onze wijntjes op tafel. We nemen allebei een slok. Opeens is de stilte pijnlijk. ,,Hoe kwamen we hier eigenlijk op?” zegt Kim. Ik haal mijn schouders op. ,,Laat maar. Het is niet belangrijk.”
Ik kan het haar niet vertellen. Ik neem nog een slok wijn. Ik heb allerlei gevoelens door elkaar. Schaamte, omdat ze het vast ontzettend triest vindt dat ik Rogier een dag te vroeg heb gebeld en dat hij me nog heeft laten zitten ook. Woede, omdat ze niet luistert naar wat ik zeg en de jongen die zo lief voor me is geweest keihard zit af te kraken. Minachting, omdat ik opeens merk hoe oppervlakkig ze eigenlijk is. Verbazing, omdat ik opeens niet meer tegen haar opkijk.
Kim begint te vertellen over het uitgaan van gisteravond. Dat ze met Miranda gezoend heeft om de aandacht te trekken van twee knappe jongens. Dat de knappe jongens inderdaad naar hen toekwamen en vroegen of ze echt lesbisch waren. Dat Miranda daarna met de ene knappe jongen gezoend had, en zij met de andere. Hoe ontzettend láchen het was. En hoe goed de knappe jongen kon zoenen. Ik luister met een half oor en drink in sneltreinvaart mijn wijn op. Ik wil weg. Ik heb geen zin meer om hier te zitten. Ik heb geen zin meer om me een loser te voelen. En ik merk dat ik er absoluut niet tegen kan als iemand Tim af zit te zeiken. Oeps.
Als ze uitverteld is, staat mijn wijnglaasje allang leeg te zijn. De chagrijnige serveerster is gelukkig nog niet komen vragen of ik er nog één wil. Ik sta op. ,,Ik moet er vandoor.” Kim kijkt verbaasd. ,,Nu opeens?” ,,Ja, ik was vergeten dat ik nog naar mijn oma moet vanmiddag,” lieg ik. ,,Ik moet er over…” Ik werp een blik op mijn horloge. ,,… twintig minuutjes al zijn. Wil jij even betalen?” Ik leg een briefje van vijf op tafel. ,,Ja, eh, is goed,” zegt Kim verbouwereerd. ,,Dan, eh, dan zie ik je morgen wel.” Ik zeg braaf tot morgen en maak me uit de voeten. Zodra ik op de fiets zit en een beetje uit het zicht ben, haal ik mijn mobiel uit mijn tasje. Zonder te aarzelen bel ik Christa.

14. Christa
,,U heeft. Twéé! Nieuwe! Voicemail. Berichten. Eérste! Bericht. Bericht. Vandaag. Ontvangen. Om. Tien. Uur. Vijfenveertig.”
,,Christa, met Thomas. Ik hoop dat je je alweer wat beter voelt. Eh, bel me even terug als je dit hoort.”
Meedogenloos toets ik de twee van “wissen” in. ,,Twééde! Bericht. Bericht. Vandaag. Ontvangen. Om. Veertien. Uur. Tien.”
,,Christa, weer met Thomas. Eh, je hebt nog steeds niets laten horen. Dat is niks voor jou. Ik hoop dat alles goed gaat? Dat je niet boos op me bent ofzo? Ik eh… ik hoop niet dat die valse vriendin van je heeft zitten stoken? Oh shit, sorry. Ik had niet mogen zeggen dat ze vals is. Maar ze zat me behoorlijk giftig aan te kijken. Ja, ik weet het ook niet hoor. Ik wil haar nergens van beschuldigen, dat je weet je wel hè? Ik tel gewoon dingen bij elkaar op. Maar bel me alsjeblieft even terug. Geef me alsjeblieft een kans om dingen uit te leggen. Ik hou van je. Doei lieffie.”
Ik laat mijn mobiel zakken. Ergens ter hoogte van mijn knie hoor ik de blikkerige stem van de voicemailmevrouw, maar ik besteed geen aandacht aan haar. Thomas. Hij houdt van me. Nog steeds. Maar hij beschuldigt Frederique er wel van dat ze me voorgelogen heeft. Dat zou ze nooit doen. Toch…? Okee, ze lijkt soms een beetje jaloers omdat ik een vriendje heb en zij niet, maar ze zou nooit zo’n verhaal verzinnen. Of zou Kim erachter zitten?
Ik laat me op de bank vallen. Ik ben helemaal paranoïde opeens. Stel dat Frederique en Kim samenzweren. Maar waarom zouden ze dat doen? Is het een soort wraak, omdat ik niet zoveel aandacht aan Frederique heb besteed, de afgelopen maanden? Is het gewoon omdat Kim de pest aan me heeft, en heeft ze Frederique weten over te halen om mee te doen? Heeft Frederique het bedacht om me lekker vaak te kunnen komen troosten hier, en dus Tim vaak te kunnen zien? Mijn God, ik ben gek aan het worden! Hoe kan ik dit soort dingen zelfs maar één seconde denken?! Van Frederique nog wel, mijn beste vriendin sinds de peuterspeelzaal!
Maar misschien moet ik Thomas wel ‘een kans geven om dingen uit te leggen’, of Frederique nou wel of niet gelogen heeft. Ik ben tenslotte eigenlijk nog steeds hartstikke gek op hem. En ik zou er wat voor geven als alles toch niet waar bleek te zijn. Gewoon een misverstand. Eentje waar we ons later dood om lachen. Vanbinnen voel ik een heel klein beetje hoop opgloeien.
Ik pak mijn telefoon weer. Het voicemailmens heeft inmiddels uit zichzelf opgehangen. Langzaam toets ik Thomas’ nummer in, dat ik natuurlijk uit mijn hoofd ken. Ik luister naar het overgaan van zijn telefoon. Ik weet welk liedje hij nu hoort.
Hij neemt op. ,,Lieffie, eindelijk! Ik begon me al zorgen te maken.” Ik bedenk dat ik eigenlijk helemaal niet bedacht heb wat ik ga zeggen. ,,Oh,” zeg ik, en ik hoor dat het klinkt alsof ik onder de pijnstillers zit. ,,Ik voel me nu wel weer wat beter.” Dat is een leugen. Ik voel me nog minstens zo rot als gisteravond. Ik heb de hele dag nog niks gedaan, alleen maar wat rondgehangen. Tim noemde me “apatisch”, mijn moeder heeft de hele morgen achter me aan gedraafd met eten en snoep dat ik normaal altijd lekker vind. Maar ik kon geen hap door mijn keel krijgen. Nu is het hele gezin weer op stap, ze zijn geloof ik een boswandeling aan het maken en gaan daarna pannenkoeken eten. Bij hoge uitzondering hoefde ik niet mee. Maar dat zal wel uit eigenbelang zijn geweest; het is vast een stuk gezelliger als ik er niet depri achteraan slof.
Thomas gelooft duidelijk ook niet dat ik me beter voel. ,,Je klinkt niet beter,” zegt hij. Ik zucht. ,,Kan ik naar je toe komen? Ik moet met je praten.” Hij is even stil. ,,Ik dácht het wel,” zegt hij dan. ,,Het is die Frederique, hè? Ik dacht al dat ze…” Ik onderbreek hem. ,,We hebben het er zo wel over. Ik ben over een half uurtje bij je.” Zonder gedag te zeggen hang ik op. Ik zucht nog eens, heel diep dit keer. Ik slenter naar de grote spiegel boven de open haard. Ik zie eruit alsof ik drie weken ingevroren ben geweest. Ik haal mijn haar los. Zo, dat is al iets beter. Ik besluit mijn tot op de draad versleten spijkerbroek en de oude sweater van Tim om te gaan ruilen voor een leukere outfit. Ik moet tenslotte uitstralen dat ik niet met me laat spotten. Al ben ik vanbinnen een hoopje ellende, van buiten ben ik dan in elk geval een sterke vrouw.

Als ik Thomas’ straat in kom fietsen, gehuld in een zwart-wit gestreept shirtje en een zwarte broek, zie ik hem op de stoep voor zijn huis zitten. Zodra hij me ziet, staat hij op. ,,Je ziet er mooi uit,” zegt hij. Hij pakt het stuur van mijn fiets vast. Ik stap af. Plotseling zoent hij me, lang en intens. Zo’n zoen waar je geen weerstand aan kunt bieden. Ik hoor in mijn tas mijn mobiel gaan, maar ik negeer het kleine rinkelende kreng. Ik wil hier voor altijd blijven staan, mezelf wijsmakend dat er nooit iets mis kan zijn met iemand die je zó kan zoenen.
,,Kom,” zegt Thomas na wat wel een eeuwigheid lijkt. ,,We gaan lekker een terrasje pakken. Het is veel te mooi weer om binnen te zitten.” Ik slik. ,,Okee,” zeg ik. ,,Maar ik moet wel met je praten.” ,,Komt goed,” zegt hij. Als een echte heer neemt hij mijn fiets van me over en zet ‘m op slot. Hij geeft me een hand. Met zijn vrije hand laat hij mijn fietssleuteltje in zijn broekzak glijden.
Hand in hand lopen we naar ’t Hoedje, het “stamcafé” van mijn school. Gelukkig zit er niemand die ik ken. Ik zie alleen Kim, maar die gaat net weg. ,,Zo,” zegt Thomas als we aan een tafeltje zitten. ,,Wat wil jij drinken?” Ik wil eigenlijk helemaal niks, want mijn keel lijkt wel dichtgeschroefd. ,,Doe maar jus d’orange,” zeg ik toch maar. Thomas wenkt een serveerster, die met een hoofd als een donderwolk naar ons toe komt lopen. ,,Wat willen jullie drinken.” Jezus, dat mens klinkt als een robot. Even wenste ik dat ik haar was: dat ik, in plaats van een Serieus Gesprek Met Mogelijk Fatale Afloop te moeten voeren, lekker geestdodend werk mocht lopen doen op een terrasje. Als ze wist waarom ik hier zit, zou ze wel tevreden zijn met haar saaie middag.
Thomas, duidelijk bezig opnieuw een goede indruk op me te maken, geeft onze bestelling door. De serveerster werpt ons nog even een vuile blik toe en stampt weg. Even is het stil. ,,Nou,” zegt Thomas dan. ,,Nu wil ik weleens weten wat er aan de hand is.” Hij lijkt zich echt van geen kwaad bewust. Of hij kan heel goed doen alsof, of het was toch allemaal een misverstand. Ik hoop het zo, ik hoop het zo. Ik speel wat met een bierviltje, haal eens diep adem en zeg: ,,Frederique heeft je in de stad zien lopen met een ander meisje. En nee, dat was niet je nichtje, want ze zei dat je haar een kus gaf.” Hij kijkt me aan. Zegt niets. Hij kijkt alleen maar. Peinzend, maar ook een beetje verdrietig. ,,En jij geloofde dat zomaar.” Oh, ik haat het als hij op mijn gemoed probeert te werken. ,,Fredererique is al mijn hele leven mijn beste vriendin,” verdedig ik me. ,,Zij verzint zoiets niet.” Hij zucht. ,,Okee, ergens heeft ze wel een beetje gelijk. Ik heb een hele speciale band met mijn nichtje, altijd gehad ook. We lopen altijd hand, en af en toe geef ik haar een kusje. Maar ik zou nooit echt met haar zoenen.”
Het klinkt als een behoorlijk slappe smoes. Ik geloof het dan ook maar half, of dat misschien nog niet eens. ,,Dus je belazert me niet,” zeg ik. Hij tilt mijn kin een stukje op en dwingt me om hem recht in te ogen te kijken. Die lieve blauw/groen/grijze ogen die ik inmiddels zo goed ken. Waarin ik zoveel gezien heb. Ik kijk in de ogen waarvan ik hou. ,,Nee,” zegt Thomas rustig. ,,Nee. Ik belazer je niet.”
Een golf van opluchting overspoelt me. Het was dus toch allemaal een misverstand. Thomas is gewoon erg close met zijn nichtje. Frederique heeft overhaaste conclusies getrokken. Want toen Thomas me zo aankeek, wist ik dat hij niet tegen me loog. Een minuut geleden twijfelde ik nog, maar die ene blik heeft alles veranderd. Een leugenaar kijkt niet zo. Een leugenaar heeft niet zulke ogen.
De boze serveerster heeft inmiddels onze drankjes gebracht. Ik laat me achterover vallen en neem een slok jus. ,,Ik kon het me ook al bijna niet voorstellen,” zeg ik. Thomas glimlacht. ,,Gelukkig maar. Ik hoopte al dat je me beter zou kennen. Maar nu wil ik het over iets anders hebben. Over iets leuks.”
Dus dit was het Serieuze Gesprek Met Mogelijk Fatale Afloop. Het was wel érg snel afgelopen. Het duizelt me nog een beetje, en ik vind het moeilijk om opeens over te gaan op de orde van de dag. Ik voel nu eigenlijk pas hoe moe ik ben, want ik heb natuurlijk slecht geslapen vannacht. En in mijn achterhoofd rinkelen nog steeds een paar alarmbellen. Weet ik wel helemaal, helemaal, helemaal zeker dat hij de waarheid spreekt? Is die verklaring niet toch een beetje zwak, en het gesprek een beetje snel afgelopen? En die dagboeken dan, en wat Fay zei?
Maar ik wil er niet meer over nadenken. Ik wil zo graag gewoon gelukkig zijn met Thomas, ik wil dat alles weer zo leuk en vrolijk wordt als het altijd geweest is. Ik wil me geen zorgen maken. Ik wil zo graag vertrouwen hebben. Ik probeer de alarmbellen dus te negeren, terwijl ik luister naar Thomas’ enthousiaste verhaal over de presentatie die hij morgen moet houden. Hij vangt mijn blik en lacht naar me. Ik lach terug. Ik wil het zo graag.

Als we onze drankjes op hebben, rekenen we af met de chagrijnige serveerster (die dus mooi geen fooi krijgt) en lopen we de stad in. De straten zijn stil en verlaten. Ik voel me vanbinnen ook stil. De storm is gaan liggen, en nu voel ik me moe en leeg. Opgelucht, dat wel, maar ook, op de één of andere manier, gekneusd. Want hoe graag ik het ook zou willen, het is niet meer hetzelfde tussen ons als vóór deze rampweek. Hoewel ik echt denk (hoop) dat alles dit keer op een misverstand berust, zal ik vanaf nu nooit meer helemaal zonder achterdocht zijn.
We lopen naar Thomas’ huis. We gaan meteen door naar boven, zonder zijn ouders gedag te zeggen. We laten ons op zijn bed vallen. We vrijen langzaam en zwijgend. Als hij daarna even naar de keuken is gelopen om iets te drinken te pakken, voel ik opeens iets hards onder zijn kussen. Ik ga rechtop zitten en trek het er onderuit. Het is een dun boekje met een harde, donkerblauwe kaft. Het is zijn dagboek.

0 Comments:

Post a Comment

<< Home