Schrijfbeest verhaal: Het Fenomeen Vriendje

Frederique wil een vriendje. Heel, heel graag zelfs. Maar vriendjes komen niet uit de lucht vallen. Je moet er actief naar zoeken en ze aan de haak slaan. Of zijn ze er al de hele tijd? Christa heeft een vriendje, van wie ze heel veel houdt. Maar dingen beginnen uit elkaar te vallen vanaf het moment dat ze per ongeluk opeens zijn dagboek in haar handen heeft. Waar trek je de grens tussen doorgaan en dumpen?

Monday, October 23, 2006

Hoofdstuk 11 en 12

11. Frederique
Shit. Oh, shit, shit, shit. Ik kon het haar gewoon niet vertellen. Het lukte me niet. Ik kwam er niet tussen en ik kon het ook niet over mijn hart verkrijgen. Ze is zo in de wolken. En net op dit moment, net nu ze dolgelukkig is en denkt dat zij en Thomas samen oud gaan worden, moet ik haar vertellen dat ik diezelfde Thomas vanmiddag hand in hand met een ander meisje door de stad heb zien lopen.
Ik had het er ook eerst met Tim over moeten hebben. Maar ik bedacht vanmiddag dat het misschien beter is als ik even geen contact met Tim zoek. Ik bedoel, we hebben een leuke avond gehad, maar ik wil niet dat hij gaat denken dat ik verliefd op hem ben. Ik hoop maar dat Christa haar mond houdt. Maar ik denk dat die kans klein is. Waar de mond vol van is, loopt het hart van over. Oh nee, het was andersom.
Ik kan mezelf wel vermoorden. Ik had het haar gewoon moeten vertellen. Dan was ik er nu vanaf geweest. Nu zal ik moeten toekijken hoe zij in een sprookjeswereld leeft. Voor me uit danst ze de trap af. Ik loop met lood in mijn schoenen achter haar aan. Ik hou dit geen hele avond vol. Een hele avond medeplichtig zitten zijn aan het verraad van die schoft. Ik móet met Tim gaan praten. Onder vier ogen. Maar als ik dat nu doe, denkt ze natuurlijk al helemaal dat ik verliefd op Tim ben. Ik moet een plan bedenken.
,,We moeten een plan bedenken!” zeggen ook de helden in de tekenfilm waarnaar Christa’s broertjes beneden zitten te kijken. ,,Wil je wat drinken?” vraagt Christa. ,,Ja, doe maar wat,” zeg ik afwezig, want ik ben druk bezig met luisteren naar de tekenfilmfiguren. Zij moeten een plan bedenken, ik ook. We moeten elkaar helpen. Tim vangt mijn blik en glimlacht naar me. Ik glimlach halfslachtig terug. Ten eerste heb ik geen zin om te glimlachen, ten tweede wil ik niet dat hij denkt dat… ach, laat ook maar. Wat mijn plan ook wordt, hij zal er in voor moeten komen. Laat hij dan maar denken dat ik verliefd op hem ben. Het is tenslotte voor het goede doel: de roze bril voor Christa’s ogen wegslaan.
,,Als jullie de boeven nou afleiden…” zegt een van de tekenfilmhelden. ,,Dan maak ik ondertussen de bom onschadelijk.” Ik kan het beeldscherm wel zoenen. Dat is het! Afleiding! Ik moet Christa’s aandacht afleiden, zodat ik er ongezien even tussenuit kan knijpen met Tim. En wat is de beste manier om Christa af te leiden? Thomas natuurlijk! Ik moet haar op het idee brengen Thomas ook uit te nodigen voor ons filmavondje. Ik moet er niet aan denken de hele avond tegen het gehuichel van die sluitspiermusketier aan te moeten kijken, maar ook dat is voor het goede doel. Ik vind mezelf ontzettend slim.
,,Hé Chris,” begin ik als ze weer binnenkomt met twee glazen van een of ander vaag sapje. ,,Waarom vraag je niet of Thomas mee komt kijken? Hoe meer zielen, hoe meer vreugd.” Okee, dat klonk ontzettend ongeloofwaardig. Ik zie dat Tim me met ogen als schoteltjes aan zit te kijken, maar Christa lijkt totaal geen argwaan te hebben. Ze gaat zelfs al op weg naar de telefoon, de sapjes nog in haar hand. ,,Goed idee, ik wou hem toch al bellen!” zegt ze opgetogen. Als ze de hoorn wil pakken, merkt ze pas dat ze haar beide handen vol heeft. Ik pak een glas van haar aan. Ik heb zo met haar te doen. Ik heb haar nog nooit in mijn leven zo blij en verliefd meegemaakt, en juist nu ben ik er achter gekomen dat het object van haar liefde haar belazert.
,,Waarom?” zegt Tim zonder geluid, als Christa met haar rug naar ons toe in de telefoon staat te kwebbelen. ,,Wacht maar af,” playback ik terug.
,,Hij komt er zo aan!” jubelt Christa dan. Ze ploft neer op de bank. Haar drinken klotst over de rand van haar glas, op haar superman-shirtje. Ze lijkt het niet te merken. ,,Ik maak me zorgen over je,” zegt Tim. Hij doet alsof hij het als grapje bedoelt, maar de serieuze ondertoon is duidelijk. Voor mij tenminste. Christa lacht alleen maar. ,,Ja, je kleine zusje en de grote jongens, hè!” ,,Nee, ik meen het,” zegt Tim, nu echt serieus. ,,Hou een beetje afstand van die jongen. Je kent hem amper. Als het nu uitgaat, gooi jij jezelf voor de trein.”
,,Ik kén hem amper?!” protesteert Christa. ,,Ik heb al 4 maanden een relatie met hem!”
,,In vier maanden kom je echt niet zoveel van iemand te weten,” steun ik Tim. ,, Zeker niet als je nog verliefd bent. Jij doet je beter voor dan je bent, hij doet zich beter voor dan hij is.” ,,Ach ja, hij zal echt wel minpunten hebben,” zegt Christa luchtig. ,,Maar daar kom ik vanzelf achter, toch?” ,,Hij kan ook grote minpunten hebben,” zegt Tim. ,,Hij kan je bijvoorbeeld bedriegen,” vul ik aan. Nu lijkt er een belletje te gaan rinkelen. ,,Dat is nou al de tweede keer vanavond dat je daarover begint. Is er soms wat?”
Dan gaat de bel. Saved by the bell, letterlijk. Zodra Christa de kamer uit is, zegt Tim zachtjes: ,,Wat is er nou aan de hand?” Ik kijk voor de zekerheid even opzij. Christa en Thomas staan uitgebreid te tongen in de deuropening. Die komen nog even niet binnen. ,,Ik heb Thomas hand in hand zien lopen met een of ander wijf, in de stad, vanmorgen,” sis ik. ,,Godverdomme!” vloekt Tim. ,,Ik wist het gewoon de hele tijd al! Die vuile rat!” Ik zie dat hij nog veel meer zou willen zeggen, maar de tortelduifjes komen de kamer alweer in gelopen. Hand in hand. Thomas houdt Christa’s hand met dezelfde hand als waarmee hij vanmorgen de hand van dat wijf vasthield. ,,Hallo allemaal!” zegt Thomas vrolijk. ,,Hoi,” weet ik er op een redelijk normaal toontje uit te persen. Tim bromt wat. ,,En, hebben jullie al een film uitgezocht?” vraagt Thomas. Oh, wat doet hij normaal en onschuldig. Moet ik hier echt een hele avond tegenaan kijken? ,,Nou, we zaten te denken aan…” begint Tim aan een ongetwijfeld bijzonder sarcastische opmerking, maar ik val hem snel in de rede. ,,Nee, we hadden nog geen idee.” ,,Okee…” zegt Thomas, en aan zijn toon te horen, begint hij nu wel in de gaten te krijgen dat er iets niet helemaal in de haak is. Christa schrijft het duidelijk weer toe aan de vermeende verliefdheid van Tim en mij. ,,Waarom gaan jullie geen film uitzoeken op Tims kamer?” stelt ze voor. ,,Doen we,” zegt Tim, en kijkt mij veelbetekenend aan. Hij staat meteen op en beent de kamer uit. Ik loop er schoorvoetend achteraan. Zwijgend lopen we de twee trappen naar Tims kamer op. Ik realiseer me opeens dat ik daar voor het laatst ben geweest toen ik een jaar of twaalf was. Tim had toen net zijn drumstel voor zijn verjaardag gehad. Wij mochten er natuurlijk met geen vinger aanzitten, maar Christa wilde er dolgraag even – “héél even maar” – op drummen. Toen Tim op een middag weg was en Christa geloofde dat hij nog wel even niet terug zou komen, haalde ze mij over om stiekem naar zijn kamer te gaan en onszelf te leren drummen. Ik durfde eigenlijk niet, want ik was een beetje bang voor Tim omdat hij al veertien was. Maar Christa bezwoer me dat hij er niets van zou merken en beloofde me dat ik haar Backstreet Boys-shirtje aan zou mogen naar het feestje van een klasgenootje als ik meeging. Dus ik ging mee. Natuurlijk kwam Tim toch eerder thuis dan Christa verwacht had. Hij was woedend, schopte ons bijna letterlijk zijn kamer uit en heeft twee maanden niet tegen ons gepraat.
,,Wist je nog, toen wij stiekem op jouw kamer gingen drummen?” vraag ik hem nu, om de spanning een beetje te breken. ,,Ja,” zegt hij kortaf. Okee, niet het goeie moment voor jeugdsentiment dus. ,,Ik kan gewoon niet geloven hoe stóm ik ben geweest!” barst hij opeens los, zodra we zijn kamer binnengelopen zijn. ,,Ik wist de hele tijd al dat er iets niet klopte aan die gast! En wat doe ik? Ik geef haar voorzichtig een paar hints, waar ze natuurlijk niet naar luistert. Wat ben ik nou voor broer!” Ik had niet gedacht dat hij het zichzelf zó zou aanrekenen. Het ontroert me dat hij zijn kleine zusje zo wil beschermen. Dat had ik nooit gedacht van de jongen die schreeuwde dat we “kleine teringkinderen” waren toen hij ons achter zijn drumstel aantrof. ,,Je moet het je niet zo aantrekken,” zeg ik voorzichtig. ,,Ze moet haar eigen fouten maken. Dat moet iedereen. Ik heb ook geen broer die me beschermt tegen al het evil in de wereld.” ,,Die zou je wel moeten hebben,” zegt Tim. Ik weet niet wat hij daarmee bedoelt, maar ik laat het maar zo.
Hij ploft op zijn bed neer, zijn hoofd in zijn handen. ,,Ik kan er gewoon niet tegen dat zo’n hufter mijn zusje pijn doet,” zegt hij nog eens ten overvloede. Nou, nou. Ik had niet gedacht dat het hem zo zou raken. Had ik het misschien beter niet kunnen vertellen? Nee, dan had ik nu nog steeds in mijn eentje met dat geheim rondgelopen. Nu heb ik in elk geval een medestander. Ik ga naast Tim zitten. Ik ben niet zo goed in mensen troosten. ,,Hee,” begin ik voorzichtig. ,,Het is toch niet jouw schuld. Je weet toch hoe het is om verliefd te zijn? Verliefde mensen luisteren nooit naar iemand.” ,,Nee,” zucht hij. ,,Daar heb je wel gelijk in. Al had ik het geprobeerd, ik had er waarschijnlijk toch niks aan kunnen veranderen.” Hij heft zijn hoofd op en kijkt me aan. Opeens valt het me op hoe dichtbij zijn gezicht is. Opeens ben ik gereduceerd tot het clichée uit de boeken en de films: het valt me op dat zijn ogen groen zijn met gouden spikkeltjes, mijn maag lijkt een sprongetje te maken, het hele gesprek lijkt niet belangrijk meer. Zou hij…? Zouden we…? Het antwoord is ja. Tim zoent me, of ik zoen Tim, ik weet niet eens wie er begint maar het maakt me ook niet uit.
Want het is heerlijk. Dacht ik dat Rogier goed kon zoenen? Tim kan het nog veel beter.
Ik weet niet hoe lang we daar al op zijn bed zitten te zoenen als het langzaam tot me door begint te dringen: ik zit te zoenen met de broer van mijn beste vriendin, terwijl mijn beste vriendin en haar overspelige vriendje benenden zitten te wachten tot wij terugkomen met een film. Dit is niet bepaald een ongecompliceerde situatie te noemen. Ik moet me losscheuren en iets zeggen. Maar ik durf het niet. Zodra ik stop met zoenen, zal alles verwarrend worden. Nu is het nog simpel. Het enige wat ik hoef te doen, is blijven doen wat ik doe. Maar zodra ik daarmee ophoud, zal ik mezelf een houding moeten geven, iets moeten zeggen, het op de één of andere manier moeten definiëren. En dat kan ik niet.
Maar de beslissing wordt voor me genomen. Tim maakt zich voorzichtig los, grinnikt en zegt: ,,We moesten maar eens een film gaan uitzoeken, voor ze er wat van gaan denken.”
Met zo’n opmerking kan ik dus helemaal niks. Bedoelt hij dat er niks is om iets van te denken? Dat hij wíl dat ze er niks van denken? Of bedoelt hij er helemaal niks mee? ,,Geloof me, ze denken er toch wel wat van,” flap ik eruit. ,,Weet ik,” zegt Tim kalmpjes. ,,Trainspotting maar doen?” ,,Eh, ja, doe maar,” mompel ik. Ik snap er allemaal niks meer van. Als we de trap weer aflopen, bedenk ik dat we het er niet eens over gehad hebben wat we nou met Christa gaan doen.

12. Christa
,,Wil je iets drinken?” vraag ik Thomas zodra Tim en Frederique de kamer uit zijn. ,,Ja, doe maar cola ofzo,” zegt hij. Opgelucht loop ik naar de keuken. Ik moest even alleen zijn. Het viel niet mee om dat toneelstukje van het vrolijke, zorgeloze vriendinnetje vol te houden terwijl in mijn hoofd honderden alarmbellen rinkelden. Had ik toch gelijk? Klopt er toch iets niet? Is Thomas’ “ik hou van je” van gisteren misschien toch een vuile leugen? Ik voel een pijnscheut door mijn bovenlichaam heengaan bij die laatste gedachte. Ik wist niet dat liefde fysiek pijn kon doen. Ik steun met beide handen op het aanrecht en probeer mijn tranen terug te dringen. Kom op Christa, nu niet huilen. Daar hebben we niks aan. Denk helder na. Wat zijn de feiten? Oké, het begon met die ruzie om die dagboeken, vorige week zondag. Toen zei Tim dat hij Thomas niet vertrouwde, en Tim heeft al vaker gelijk gehad met zijn observaties. Toen dat vage verhaal van die Fay gisteren. En net heeft Frederique twee keer benadrukt dat hij misschien niet eerlijk is. Dat zei ze letterlijk. Eérlijk. Ze had het niet over aardig, of lief, teder of wat dan ook, nee, ze had het over eerlijk. Dat is wel een beetje specifiek voor iemand die maar wat raadt. Een tweede pijnscheut. Zou Frederique iets weten? Heeft ze iets gezien of gehoord? En is het zo erg dat ze het mij niet durft te vertellen? Ik voel nu toch een traan over mijn wang biggelen. Driftig veeg ik ‘m weg. Ik moet terug, met Thomas’ cola. Ik mag nu nog niks laten merken. Daar komt alleen maar gezeik van, en ik heb geen zin om onze problemen te gaan zitten uitvechten voor de nieuwsgierige neuzen van Tim en Frederique. Die trouwens ook verdacht lang wegblijven.
Met trillende handen pak ik een leeg glas en de fles cola. Ik mors een beetje op het aanrecht. Voor ik het weet, heb ik al hard en huilerig gevloekt. ,,Gaat het?” roept Thomas vanuit de woonkamer. ,,Ja hoor!” roep ik terug, een klein beetje bibberig, maar dat heeft hij vast niet gehoord. Ik haal diep adem en loop de kamer weer in. ,,Ik voel me niet zo lekker,” lieg ik, om mogelijk verdacht gedrag daaraan te kunnen toeschrijven. Hij klopt op de bank. ,,Kom maar lekker bij me zitten.” Ik kruip tegen hem aan en doe mijn ogen even dicht. Ik hoop dat mijn rotgevoel zal verdwijnen en dat ik straks weer net zo gelukkig zal zijn als ik de hele dag geweest ben, maar ik voel me nu alleen maar beroerder. Lig ik hier in de armen van een bedrieger? Tim had gelijk. Ik heb mezelf en mijn hart op een presenteer-blaadje aangeboden. Thomas kan me breken. En zo te voelen, is dat net ook gebeurd. Het was ook wel te verwachten. De hele dag heb ik op de hoogste top gezeten. Het logische gevolg op de hoogste top is het diepste dal. Voor mij lijkt er de laatste tijd geen middenweg meer te zijn. Oh God, stel dat het waar is. Stel dat hij me belazert. Hoe kom ik daar ooit overheen? Ik heb niets meer van mezelf. Ik heb het gevoel dat ik mijn hele hebben en houden aan hem heb gegeven. Ik ben zo stom geweest. Als hij me bedriegt, was hij dat allemaal niet waard. En als hij me niet bedriegt, zal ik altijd doodsbang zijn dat hij dat ooit zal doen, omdat ik nu weet hoe ik me dan voel.

,,Trainspotting!” kondigt Tim aan. Hij stapt monter de kamer binnen, Frederique er achteraan. Ze staart naar de grond en friemelt aan een oorbel. Ik probeer haar blik te vangen, maar die ontwijkt ze. Nu weet ik het helemaal zeker. Ze durft me niet aan te kijken. Ze heeft een geheim voor me. En Tim weet het ook, daarom doet hij nu zo vrolijk, om de aandacht af te leiden tot het het geschikte moment is om mij te vertellen dat Thomas vreemdgaat. Plotseling hou ik het hier niet meer uit, tussen al die mensen die iets voor mij geheim houden en met z’n allen denken dat ik het toch niet in de gaten heb. Ik maak me los uit Thomas’ armen en sta op. ,,Jongens, ik eh, ik voel me echt niet goed.” Mijn bibberige stem maakt mijn toneelstukje heel geloofwaardig. ,,Ik voelde het net opeens opkomen. Volgens mij word ik ziek. Ik ga, eh, ik ga naar bed. Kijken jullie de film maar.” Ik geef ze niet de kans om antwoord te geven en storm de kamer uit, de trap op, mijn kamer in. Met al mijn kleren aan ga ik in bed liggen. Ik trek het dekbed over mijn hoofd en begin te snikken. Met iedere snik groeit het besef dat mijn lieve vriendje me niet achterna komt.
Mijn hoofd bonkt, mijn wangen gloeien en ik heb het gevoel dat mijn hele gezicht onder het snot zit. Straks word ik nog écht ziek.
In mijn eentje huilen is nooit iets wat ik lang volhoud. Terwijl ik nog wat na lig te snikken, trekken beelden aan mijn geestesoog voorbij. Onze eerste zoen, op een bankje in het park (hoe cliché). Knuffelen op de bank. De eerste keer dat we met elkaar naar bed gingen. Die keer dat we samen gingen kanoën. Die keer dat we bij zijn opa en oma op bezoek gingen. Die keer dat we naar de film gingen en aan één stuk door zaten te zoenen. Zou hij al die tijd…? Ik begin weer te huilen. Ik voel me alleen, ik voel me verraden, maar ik voel me vooral berooid. Berooid van mijn eigen, onafhankelijke zelf. Berooid van mijn identiteit. Ik ben gereduceerd tot een snikkend, snotterend hoopje onder de dekens. ,,En dat allemaal om een jóngen!” zei ik vroeger smalend als ik dat soort types zag in films. Ik had toen nooit gedacht dat ik ooit zelf zo zou zijn.
Na wat wel een eeuwigheid lijkt, hoor ik een zacht klopje op de deur. ,,Christa…?” Frederique. ,,Ja,” zeg ik schor. Ik veeg snel mijn gezicht af aan mijn dekbed. Voorzichtig doet Frederique de deur open. ,,Hee…” zegt ze zachtjes. In twee grote stappen is ze bij mijn bed. Ze ploft neer en slaat haar armen om me heen. Natuurlijk begin ik meteen weer te janken. Terwijl ze me een beetje heen en weer wiegt, bedenk ik vagelijk dat het tot nu toe altijd andersom was: ik was altijd degene die háár troostte. Maar ergens is het ook wel fijn om zelf eens degene te zijn die getroost moet worden.
,,Waar is Thomas?” vraag ik als ik weer een beetje gekalmeerd ben. ,,Naar huis,” zegt Frederique. ,,Naar huis?!” echoo ik, en ik voel weer de pijn in mijn borst. ,,Is hij gewoon weggegaan? Zonder zelfs maar…” ,,Hij zei dat hij dacht dat het beter was om je even alleen te laten,” zei Frederique. ,,En hij had nog een hoop te doen. De zak.” Ik lach en huil tegelijk. Het lachen duurt niet zo lang. Het huilen begint weer van voor af aan. ,,Waarom ben je nou eigenlijk zo van streek?” vraagt Frederique, terwijl ze mijn haar aait. ,,Waarom denk je?!” roep ik schor uit. Het is geen prettig gehoor, moet ik zeggen. ,,Hij belazert me en iedereen weet het behalve ik!” Frederique zucht. ,,Het was niet de bedoeling dat je het zo zou voelen. Maar je kwam er sneller achter dan ik gedacht had.” Een loodzwaar gewicht valt op mijn schouders. ,,Het is dus echt waar.” Frederique knikt ernstig. ,,Het is echt waar.”
Het lijkt wel alsof het laatste beetje kleur uit de wereld wegtrekt. De hele avond had ik nog een klein beetje hoop dat het allemaal een vergissing zou zijn, een misverstand, een interpretatiefout, maar dat was het dus allemaal niet. Ik voel weer tranen opkomen, maar ik slik ze weg. Ik wil nu niet huilen. Plotseling voel ik me heel kalm. ,,Hoe ben je het te weten gekomen?” vraag ik rustig. Frederique slikt. ,,Ik zag ze lopen. Vanmiddag in de stad. Hand in hand.” Een sprankje hoop vlamt op. ,,Hij zou de stad in gaan met zijn nichtje…” Maar ik zie aan haar gezicht dat dat niets oplost. ,,Christa, hij kuste haar. Hij gaf haar een kusje op haar neus. En ik zag hoe hij dat deed. Zo’n kus geef je niet aan je nichtje.”
Ik knik langzaam. ,,Ik had het kunnen weten. Die dagboeken. Wat Tim zei. Wat Fay zei. Wat jij zei. Nou ja, toen wist ik het ook…” Ze kijkt me oprecht medelijdend aan. ,,Ik vind het zo rot voor je…” Ik lach vreugdeloos en haal mijn schouders op. ,,Ik vind het ook rot voor mij. Maar het is mijn eigen stomme schuld. Ik had uit mijn doppen moeten kijken. Ik had het kunnen weten.” Frederique zucht. ,,Dat moet je niet steeds zeggen,” zegt ze. ,,Je moet jezelf de schuld niet geven. Je was verliefd. Je was blind. Het hoort erbij.” ,,Voor mij niet meer,” zeg ik beslist. ,,Ik kap ermee. Dit was de eerste en de laatste keer dat ik mijn hart aan iemand geef. Ik wil me nooit meer zo voelen.” ,,Ik geloof je niet, maar als jij het zegt,” grinnikt Frederique.
Ze trapt haar pumps uit en kruipt onder mijn dekbed. Plotseling is het net als vroeger, toen deden we dat ook altijd, samen in bed liggen. Het was echt een ritueel, vooral toen we een jaar of tien waren. We moesten elkaar altijd één geheim vertellen, hadden we eens besloten. ,,Vertel eens een geheim,” zegt Frederique nu. Blijkbaar denkt ze aan hetzelfde. Ik glimlach. ,,Dan moet ik even nadenken, hoor.” Ik laat mijn gedachten over de afgelopen weken gaan. Plotseling weet ik iets. ,,Ik heb geprobeerd om jou aan Tim te koppelen.” Ze lacht. ,,Dat dacht ik al, ja.” ,,Nee, al eerder,” beken ik. ,,Al toen jij hier kwam eten van de week.” Nu begint ze echt te schateren. ,,Dus dáárom was je zo irritant!”
,,Nu jij,” zeg ik als ze is uitgelachen. Ze giechelt ,,Ik heb een heel mooi geheim,” fluistert ze. ,,Ik durf het gewoon bijna niet te vertellen.” Ze maakt me zo nieuwsgierig dat ik bijna vergeet in wat voor miserabele staat ik verkeer. ,,Zeg het nou maar!” Maar ze giechelt alleen maar. ,,Beloof me dat je niet zult lachen!” Ik beloof het haar plechtig. Ze haalt diep adem. ,,Ik heb met Tim gezoend.” Ik hap naar adem. ,,Echt?! Wanneer?” ,,Net,” antwoordt ze. ,,Toen we die film gingen uitzoeken.” ,,En hoe zoent hij?” vraag ik automatisch, maar besef meteen dat ik het antwoord niet wil horen. ,,Nee, ik geloof niet dat ik wil weten hoe mijn broer zoent.”

De rest van de avond brengen we onder de dekens door, doende alsof we weer tien zijn. Ik praat over Thomas tot hij alleen uit woorden lijkt te bestaan en zijn gezicht vertroebeld lijkt in mijn herinnering. Frederique praat over Tim, aarzelend, alsof ze er nog aan moet wennen dat ze nu ineens op deze manier over hem praat. Het lijkt alsof er nooit een
verwijdering tussen ons is geweest. We zitten weer helemaal op één lijn. Ik heb zin om haar te vragen wat ze in godsnaam in een oppervlakkig wezen als Kim ziet, maar ik laat het maar zo. Het is en blijft immers háár leven. Ze moet zelf weten met wie ze omgaat. Ik heb de puf niet om me er nu druk over te gaan maken.
Na drie uur en een halve fles Tequila die ik nog in de kast had staan, zijn we tot de conclusie gekomen dat jongens vreemde dingen doen met de meest evenwichtige meisjes. ,,Het fenomeen “vriendje”…” zucht Frederique. ,,Al jaren smácht ik ernaar, en nu kan er misschien één krijgen, en nu weet ik het allemaal niet.” ,,Ik begin er niet meer aan,” zeg ik nog eens stellig. ,,Ik ga het uitmaken en dat was het dan.” Ik schrik van mijn eigen woorden. Ik heb een hoop over Thomas gezegd vanavond: dat ik de hele tijd had kunnen weten dat hij onbetouwbaar is, dat hij me niet waard is als hij zich zo gedraagt, dat ik hoop dat ik hem over een paar jaar tegenkom als ik heel succesvol ben en hij arm en mislukt, maar niet dat ik het ga uitmaken. Maar wat had ik anders gedacht dat ik zou gaan doen? Er zit niks anders op. ,,Wanneer?” vraagt Frederique. ,,Weet ik nog niet,” mompel ik. Eerlijk gezegd weet ik niet of ik het wel kan, of ik het wel durf. Natuurlijk, hij verdient niet beter. Ik zou een zwakkeling zijn als ik bij hem bleef. Absoluut. Maar hem bellen, zeggen dat ik met hem wil praten, en dan zo’n afschuwelijk gesprek voeren waarbij je dingen zegt als “ik zie het toch niet zo werken tussen ons” en “ik hoop dat we vrienden kunnen blijven” (alsof ik vrienden wil blijven met zo’n schoft) en “we hebben toch een leuke tijd gehad”… brrr.
Een beetje wiebelig lopen we de trap af. Ik hoor de stemmen van mijn ouders, die zijn blijkbaar al terug van het feestje waar ze naartoe waren. Ik zeg nog “ssst” tegen Frederique, want ik heb even geen zin in mijn moeder, maar ze heeft nou eenmaal een abnormaal goed gehoor voor stappen op de trap: de deur van de woonkamer gaat al open. Ik zie haar het donker van de hal in turen. ,,Christa, ben jij dat?” ,,Ja, ik ben het,” zeg ik gelaten. ,,Gaat het weer een beetje?” vraagt ze bezorgd. ,,Tim zei dat je ziek was.”
,,Ja hoor, het gaat wel weer. Ik laat Frederique even uit.” Opeens staat Tim naast mijn moeder. Ik zie hem langs me heen naar Frederique turen, en ik voel hoe ze terugkijkt. Plotseling ben ik doodmoe. ,,Slaap lekker dan,” zegt mijn moeder. Ze schrikt even als Tim langs haar heen het halletje in glipt, en doet dan de deur dicht.
,,Ga je er weer vandoor?” vraagt Tim onhandig aan Frederique. Er is niets meer over van zijn joviale alter ego dat een paar uur geleden Trainspotting aankondigde. ,,Eh, ja,” antwoordt ze. ,,Sorry van de film,” voegt ze eraan toe. Hij haalt schutterig zijn schouders op. ,,Geeft niks.” Ze staart naar de grond. ,,Okee. Eh, dan zie ik je wel weer.” ,,Ja,” zegt hij. Er valt een pijnlijke stilte. Normaal zou ik de eerste zijn om die te doorbreken, maar nu kan ik zelf ook niks bedenken om te zeggen. Ik ben te moe. Eerst de hoogste top, toen het diepste dal, toen een door tequila beneveld plekje daar tussenin en dan nu uiteindelijk pure uitputting. Ik wil alleen maar weer in bed kruipen, slapen en vergeten. Ik staar maar wat voor me uit, hopend dat Frederique snel weggaat en ik weer terug naar boven kan. Normaal zou Tim zich nu zorgen over me maken, maar hij heeft het te druk met mijn vriendin om me zelfs maar op te merken. Mijn eeuwig bezorgde broeder, zijn zusters hoeder. Nu heb ik hem eens echt nodig en is hij er niet.
,,Nou,” zegt Frederique. Ze stoot een giechel uit. ,,Nu ga ik echt.” ,,Ja,” zegt Tim nogmaals. Hij doet de deur voor haar open, alsof hij degene is die haar uit ging laten in plaats van ik. Ze draait zich naar mij om. ,,Slaap lekker en niet piekeren, hè? Ik bel je morgen wel.”
,,Goed.” Ik klink als een robot. ,,Nou, doei!” zegt ze. ,,Doei,” zegt Tim. Ze loopt het tuinpad af en Tim doet de deur dicht. ,,Gaat het wel?” vraagt hij me, maar het klinkt plichtmatig en totaal niet gemeend. Hij is met zijn gedachten bij Frederique. Hij zou haar waarschijnlijk het liefst achterna hollen en haar opnieuw zoenen. Maar nee, dat zit er niet in vanavond, hij moet nu aan zijn depressieve zusje vragen of het wel gaat. Wat heeft hij toch een rotleven. ,,Het gaat wel,” zeg ik voor de tweede keer in vijf minuten. ,,Ik ben alleen heel moe. We praten morgen wel verder.” ,,Okee,” zegt hij. ,,Welterusten.” Normaal zou hij zich nooit zo makkelijk laten afschepen. Maar het maakt niet uit. Ik heb toch geen zin meer om te praten. Ik zeg welterusten terug en sleep me de trap op.

0 Comments:

Post a Comment

<< Home