Hoofdstuk 1 en 2
Ik hou van dure dingen. Hoe duurder, hoe beter. Ik hou van de gedachte dat ik een lapje stof van tweehonderd euro aan mijn lijf heb. Helaas heb ik maar 1 zo’n stukje stof, en daar heb ik wel even voor moeten werken. Een topje van Versace is het. Zwart met hele subtiele glittertjes en een gespje, bezet met iets grovere glittersteentjes. Ik heb het twee weken geleden gekocht en nog niet aan gedurfd. Maar het hangt in mijn kamer en ik ben er verslaafd aan. Ik wil nog iets van Versace. Een topje zegt nog niks. Twee komt in de buurt. Met twee topjes van Versace zou je bijna kunnen zeggen dat ik klasse heb.
Daarom sta ik nu te kwijlen voor de etalage van de Versace. Ik tel in gedacten het aantal uren dat ik zal moeten werken voor ik zwarte truitje met de vleermuismouwen kan kopen, als de idylle wreed verstoord wordt door mijn beste vriendin Christa en haar vriendje Thomas. Christa draagt een knalrode trainingsbroek, versleten gympen en een topje waarvan ik weet dat ze het bij de lingerieafdeling van de H&M gekocht heeft, met korting omdat een van de bandjes een beetje gerafeld was. Thomas is gehuld in zijn eeuwige vale spijkerbroek en een zwart shirt waar “yuck fou” op staat, een poging tot optisch bedrog waar ik nooit ingetrapt ben. Ze hebben allebei een milkshake in hun hand, in een beker waar met grote letters “echt shakers willen FEBO-bekers” opstaat. Zoals gewoonlijk zien ze eruit alsof ze het een kwartier geleden nog met elkaar aan het doen waren. ,,Versace,” zegt Christa lachend. ,,Wat een nep is dat toch. Je kunt precies dezelfde dingen kopen op de markt!” ,,Weet je dat topje van mij niet meer!” roep ik verontwaardigd. Ik zie dat Christa schrikt. Thomas ziet het ook. Hij lacht stiekem, zonder dat ze het merkt. De smiecht. Hij weet net zo goed als ik dat Christa het niet leuk vindt als ze uitgelachen wordt. ,,Eh ja, maar die was ook…” probeert ze zich eruit te kletsen. Ik lach, al kost het me een beetje moeite. ,,Geeft niet joh. Versace is gewoon betere kwaliteit.” Ze haalt haar schouders op. ,,Dat zal dan wel, ja.” Plotseling vallen me de grote, stervormige oorbellen op, waaraan ze steeds staat te friemelen met haar rechterhand. ,,Hee, nieuw?” vraag ik, terwijl ik ze van dichterbij bekijk. Ze straalt. ,,Ja, net van Thomas gekregen!” Thomas grijnst zelfvoldaan. Gek, eerst vond ik hem altijd wel aardig, maar ik begin een steeds grotere hekel aan hem te krijgen. Ik heb het gevoel dat hij Christa van me heeft afgepakt. Ik zie haar nooit meer, ze is altijd bij hem. En dat terwijl ze vroeger altijd zei dat ze haar sociale leven nooit op zou geven voor een jongen. En hoewel ik weet dat het waarschijnlijk allemaal gewoon een fase is en dat het nog best pril is tussen haar en Thomas, heb ik toch het gevoel dat ze me heeft laten vallen. Mijn beste vriendin heeft me laten vallen voor een jongen. Dat had ik nooit van haar verwacht.
Ik kan het grote geluk niet maar aanzien en zeg dat ik er vandoor moet, wat trouwens ook waar is. Mijn pauze zit erop, ik moet terug naar mijn werk in de duurste parfumwinkel van de stad. Christa kijkt teleurgesteld. ,,Wij moeten ook weer eens gaan winkelen,” zegt ze. ,,Doen we,” beloof ik. Ik denk niet meer aan Versace als ik terugloop naar Rive Gauche. Ik denk aan het vriendje dat ik zo dolgraag wil, maar nooit lijk te ontmoeten. Natuurlijk, ik zou iets kunnen beginnen met een soort Thomas. Maar helaas val ik niet op het verwassen T-shirts-type. En gelukkig val ik ook niet op het type dat stiekem zijn vriendin staat uit te lachen als ze per ongeluk iets stoms zegt. Nee, een Thomas-jongen is niks. Er zijn natuurlijk wel meer soorten jongens. Maar ik val om de een of andere reden sowiezo niet op jongens met wat voor accent dan ook, wat de lading alweer meer uitdunt. En ik val ook niet op jongens die me te graag willen. Niets is zo’n afknapper als iemand die desperate is. Verder val ik niet op jongens die roken, jongen die veel drinken, jongens die blowen, jongens die nog thuis wonen (al woon ik zelf ook nog thuis), jongens met te lang haar, jongens die in een supermarkt werken… kortom: een jongen moet van goeden huize komen, wil ik erop vallen. Volgens Christa is dat goed, omdat ik tenminste weet wat ik wil, en niet duizend bij voorbaat al mislukte relaties aanknoop. Maar ik word gek van al dat wachten.
Het ergste is, dat overal stelletjes zijn. Op straat, op school, in de kroeg, het wemelt ervan. Sommigen lopen heel bescheiden met hun pinken in elkaar gehaakt, sommigen schamen zich niet elkaar half op te eten terwijl de halve stad toekijkt. En uitgerekend vanmiddag, nu ik weer eens een van mijn ik-wil-een-vriendje-buien heb, komen er drie gelukkige stelletjes aan mijn kassa, die elkaar een geurtje cadeau geven of erger nog, hetzelfde geurtje in de him- en de her-editie kopen. ,,Veel plezier ervan,” grijns ik gemaakt. Ondertussen heb ik wilde fantasieen waarin de die flesjes op hun kleffe hoofden kapotsla.
Als ik klaar ben met parfummetjes verkopen en ik de winkel uitloop, krijg ik een smsje. Dat weet ik doordat ik een eend hoor kwaken in mijn tas. Eigenlijk hou ik niet van eenden, sinds er eentje in mijn vinger beet toen ik ‘m wou voeren, toen ik drie was. Maar dierengeluiden als sms-toontje zijn helemaal in op het moment, en met mijn telefoon kon ik kiezen uit het geluid van een end, een kikker of een hond. Kikkers vind ik nog erger dan eenden en honden vind ik stinken, dus toen is het de eend geworden. ,,Heej doos!” luidt het berichtje. ,,Ga je vanavond mee naar de Jam? X Kim.” Eigenlijk had ik voor vanavonf een rustig tv-avondje gepland, maar Kim kan ik niet weigeren. Ze is zo aardig en cool, ze is echt mijn stijlicoon geworden. Ze gaat altijd om met Daisy en Miranda, die elke jongen kunnen krijgen die ze maar willen. Het klinkt natuurlijk heel zielig, maar ik hoop altijd dat dat een beetje op mij afstraalt. En trouwens, ik vind ze gewoon aardig. Ik laat mijn relaxavondje dus maar in rook opgaan en sms terug dat ik vanavond van de partij ben.
Op de fiets nar huis probeer ik te bedenken wat ik aan zal gaan trekken. Het is warm vandaag en dat zal het vannacht ook nog wel zijn, dus misschien kan ik een rokje aan. Met mijn nieuwe Versace topje? Dat zou wel indruk maken. Nu alleen nog even verzinnen welk rokje in aan zal doen. Spijkerrokje? Zwart rokje? Het zwarte rokje is waarschijnlijk beter, want daar zitten zakken in. Maar dan zou ik ‘m wel uit de wasmand moeten vissen. Ook niet al te fris. En welke schoenen moet ik trouwens aan? Ik wou dat ik platte, zwarte schoenen had. Nu worden het waarschijnlijk mijn zwarte laarzen met hoge hakken. Dus pijn.
Ik ben zo diep in gedachten mijn kledingkast aan het plunderen, dat ik me kapot schrik als ik mijn mobiel hoor gaan in mijn tas, en bijna tegen de stoeprand aanrijd. Als ik was gevallen, had dat zeker een gat in mijn dure Mexx-broek betekend. Pff. Zuchtend vis ik mijn telefoon uit mijn tasje. “Christa belt” staat op het schermpje. Oh, natuurlijk. Al zo lang ik Christa ken (en dat is vanaf de peuterspeelzaal, dus behoorlijk lang) krijgt ze het iedere keer weer voor elkaar om op de meest ongelegen momenten te bellen. Alsof ze daar speciale antennes voor heeft ofzo. Om precies dezelfde reden heeft ze, ironisch genoeg, zelf haar mobiel meestal uitstaan. ,,Als ik er niet ben, ben ik er niet,” zegt ze altijd. ,,Ik zou strontnerveus worden als er elk moment iets kon afgaan in mijn tas.” Maar ze schaamt zich niet om mij hetzelfde aan te doen. Toch neem ik maar op. Ergens in mijn achterhoofd registreer ik vaag de hoop dat ze belt om te zeggen dat ’t uit is met Thomas. Maar dat slaat natuurlijk nergens op. Ze belt om te vragen of ik zin heb om vanavond weer eens samen video te kijken, met een stemmetje waar het schuldgevoel vanaf druipt. En hoewel ik pas om 11 uur met Kim, Daisy en Miranda heb afgesproken, zeg ik toch dat ik niet kan, omdat ik uitga. Ik heb geen zin om met haar af te spreken zodat zij van haar schuldgevoel af is. Had ze maar eerder moeten bellen. Had ze maar aan mij moeten denken. ,,Oh!” zegt ze, zogenaamd vrolijk. ,,Nou, veel plezier dan maar.” ,,Dank je,” zeg ik. ,,Zal vast wel lukken.” Ze grinnikt. ,,En doe niets wat ik ook niet zou doen!”
,,Nou, dan kan het nog alle kanten op.” Aangezien zij elke vrije minuut met die sukkel ligt te rollebollen.
Om 11 uur is de Jam nog niet echt gezellig, dus gaan we eerst even indrinken in een of andere tent waar volgens Kim alleen maar lekkere barmannen werken. Voor de grote spiegel in de hal checken we onze make-up nog even. Ik moet zeggen dat we er goed uitzien met z’n vieren. Ik in mijn zwarte rokje (toch maar wel) en mijn Versace-topje, Kim in haar gifgroene minijurkje. Daisy met haar turqoise, laag uitgesneden hemdje en haar spijkerbroek die meer gat en rafel is dan spijkerbroek, en tenslotte Miranda, zoals altijd de extreemste, in een superklein zwart jurkje met een knalroze panty eronder. Hoofden draaien zich om als we naar binnen gaan, maar ik vermoed dat het gefluit dat hier en daar kninkt, niet echt voor mij bedoeld is. Vergeleken bij de drie anderen zie ik er nogal braafjes uit. Chagrijnig geef ik mezelf toe dat Christa gelijk had: niemand zal zien dat dit een Versace-topje is en geen markt-topje. Tweehonderd euro. Leuk hoor. Leuk.
Daisy leest een berichtje en klapt haar telefoontje dicht. ,,Martin komt zometeen ook hier naartoe,” kondigt ze aan. ,,Met twee vrienden van hem.” Miranda zit meteen rechtop. ,,Vrienden? Wie dan?” ,,Je kent ze niet,” zegt Daisy schouderophalend terwijl ze een sigaret opsteekt. ,,Ik ken ze zelf niet eens. Ze komen uit Rotterdam.” Kim geeft me een por. ,,Misschien iets voor jou, Frederique?” Ik weet dat ze alledrie stiekem medelijden met me hebben omdat ik niet zoveel ervaring met jongens heb als zij. ,,Ja,” peinst Daisy. ,,Wanneer had jij nou voor het laatst een vriend?” Alsof ze me al jaren kent. Ik speel met mijn glas wijn. ,,Oh, een tijdje geleden alweer…” Toen ik veertien was. Nu ben ik achttien. ,,En hoe lang heeft dat geduurd?”
,,Oh, niet zo heel lang…” Twee weken. Ze buigt zich naar me toe. ,,En wassie een beetje…?” De andere twee luisteren geïnteresseerd. Ik word er nerveus van. Ik lach maar wat. ,,Eh, ja hoor.” Hij vroeg of ik wou zoenen, wachtte het antwoord niet af en stak zijn tong in mijn mond, waarna hij ‘m als een gek rondjes om die van mij liet draaien. Ik werd er kotsmisselijk van.
Gelukkig arriveren dan Martin en consorten. Martin is duidelijk weer precies Daisy’s type, te herkennen aan het G-sus shirt en de overdosis gel. Vriend nummer 1 heet toevallig ook Martin en is qua uiterlijk duidelijk een kopie van de andere Martin: G-sus en gel. Maar vriend nummer 2… Hij stelt zich voor als Rogier, heeft bruine ogen, kort bruin haar en een eenvoudig uitziend, maar waarschijnlijk duur zwart shirt aan. Hij is helemaal mijn type. Mits hij niet thuis woont of in een supermarkt werkt. Maar ik besluit daar niet naar te vragen. Vanavond ga ik lol hebben.
En of ik lol heb. Rogier vangt mijn bewonderende blik, komt naast me zitten en haalt wel acht keer wijn voor me. Ik word steeds dronkener en hij begint ook behoorlijk aangeschoten te raken. Hij vertelt over zijn baan bij een advocatenkantoor, over zijn vrienden in Rotterdam, over de kroegen waar hij graag komt, over waarom zijn laatste relatie uitging… hij praat, ik luister. Ik doe alsof ik niet merk dat zijn hand, die op mijn knie begon, steeds iets verder naar boven kruipt. Ik doe alsof ik niet merk dat de andere drie elkaar aanstoten, zogenaamd onopvallend naar ons wijzen en hun duimen naar elkaar opsteken. Maar ik ben blij. Dolblij. Dit keer is het mijn beurt! Dit keer ben ik aan het scoren! Om het nog niet eens te hebben over hoe mijn prooi eruit ziet. Zelfs Miranda, die altijd heel kieskeurig is, zal het moeten toegeven: Rogier is echt heel knap.
Op weg naar de Jam slaat hij zijn arm om me heen. Dat komt goed uit, want ik loop behoorlijk te slingeren. Lopend zoent hij me in mijn nek. ,,Zullen we de Jam maar laten zitten,” mompelt hij zwoel in mijn oor. Nauwelijks beseffend wat me overkomt, knik ik maar wat. ,,Jongens!” roept Rogier naar de anderen, die een stuk voor ons lopen. ,,Ik breng deze dame even thuis!” Kim grijnst over haar schouder. ,,Doei!” roept ze vrolijk. Daisy en Miranda hebben het te druk met Martin 1 en Martin 2. Vaag vraag ik me nog af wie nou ook alweer wie is, dan staat Rogier plotseling stil, trekt me tegen zich aan en zoent me. Goh, dat is een stuk beter dan 4 jaar geleden, denk ik nog even heel droog. Daarna denk ik een hele tijd niet zo heel veel meer, behalve dat IK nu een stelletje ben.
Ik weet niet hoe lang we daar schaamteloos midden op staat hebben staan bekken als hij dwingend vraagt: ,,Ga je mee naar Martins huis.” Plotseling bekruipt me een onbehaaglijk gevoel, hoe perfect deze nacht ook is. Ik aai over zijn wang. ,,Beter van niet,” hoor ik mezelf beslist zeggen. ,,Maar je mag me wel thuisbrengen.” Hij is even stil. ,,Ik ben bang dat dat niet zal gaan,” zegt hij. ,,Kom, ik breng je naar een taxi.” Hij loopt met grote stappen voor me uit. Ik snap het niet. Heb ik hem nou beledigd? Wankel hol ik achter hem aan. Mijn voeten doen inmiddels behoorlijk pijn door mijn hakken. Net voelde ik er niets van. Nu voel ik het dubbel. ,,Hee, wacht nou even!” piep ik. ,,Ik bedoelde het niet lullig! We kunnen toch nog een keer afspreken?” Hij beent de taxistandplaats op en zwaait het portier van een taxi voor me open. Het heeft niets galants. ,,Goed, geef me je nummer dan maar.” Hij klinkt veel norser dan daarnet. Ik grabbel in mijn tas, vind om de een of andere reden een bierviltje en mijn oogpotlood. Ik krabbel huis- en mobielnummer neer en probeer hem een sexy afscheidszoen te geven terwijl ik het hem toestop. Hij zoent terug, al is het nogal halfslachtig en lang niet zo fijn als daarnet. Dan duwt hij me zo ongeveer de taxi in. ,,Slaap lekker,” zegt hij. Ligt het nou aan mij of klinkt het een beetje spottend? ,,Het was heel gezellig!” roep ik nog. Maar hij heeft zich al omgedraaid.
Ik geef mijn adres door aan de taxichauffeur en laat me achterover zakken. Ik probeer helder na te denken, maar staak al snel mijn pogingen omdat ik al mijn concentratie nodig heb voor het binnenhouden van al die wijn, terwijl de taxi over de klinkerweggetjes hobbelt. Morgen bel ik Kim of Christa, neem ik me voor.
Ik ben net op tijd binnen. In het halletje kots ik over mijn Versace-topje heen.
2. Christa
Zondagmorgen. Ik word wakker van het geluid van de regen die tegen de ruiten tikt. En van het geluid van iemand die smakkend chips zit te eten. Lui doe ik een oog open. Het eerste wat ik zie is de klok. Die staat op vijf over acht. Het tweede wat ik zie is mijn vriendje, die rechtop in bed het overblijfsel van de bolognese-chips van gisteren soldaat zit te maken. Kraak kraak, smak smak. ,,Gadverdamme, Thomas…” kreun ik. Hij kijkt op. ,,Goeiemorgen lieffie,” zegt hij met zijn mond vol. Hij wil me een kus geven, maar ik duw hem weg. ,,Bah. Je stinkt naar bolognese.” Hij neemt nog een laatste hap chipskruimels en verfrommelt de zak. Hij probeert ‘m in de prullenbak te mikken, maar mist. Hij haalt zijn neus op en wijst naar mijn haar. ,,Je haar is net een vogelnestje.” ,,En bedankt weer,” brom ik. ,,Welterusten.” Ik trek het dekbed helemaal over mij en mijn vogelnestje heen, in de hoop dat ik nog een uurtje of twee kan slapen.
Met een wakkere Thomas in de buurt. Dat had ik dus gedacht. Ik vrees dat ik hem de opvatting “ik wakker, iedereen wakker” nooit af zal kunnen leren. Hij hopt een paar keer op en neer op het bed, springt er vanaf, komt met een bons op de grond neer, doet geen moeite om zachtjes te doen als hij naar zijn bureau loopt, rommelt wat, laat per ongeluk een of ander irritant piepdingetje afgaan, zegt “sorrie!”, trekt zo te horen iets ergens onderuit zodat een stapel papieren op de grond fladdert, fluistert net iets te hard “kut!”, raapt luid ritselend de papieren weer bij elkaar, trekt een krakende la open, probeert de papieren bij de andere rotzooi te proppen, duwt met geweld de la dicht…
Ik hou het niet meer uit. Ik schiet overeind en gooi het dekbed van me af. ,,Ja, laat maar, ik hoef al niet meer te slapen!” Onschuldig kijkt hij op. ,,Oh lieffie, heb ik je wakker gemaakt?” Soms kan ik hem wel wat aandoen. ,,Je hebt me al wakker gemaakt toen je die vieze chips zat op te vreten!”
,,Vieze chips? Jij wilde toch bolognese?”
,,’s Morgens vroeg is alle chips vies.” Hij haalt zijn schouders op. Hij denkt duidelijk dat ik weer eens last van een ochtendhumeur heb. ,,En ik heb geen ochtendhumeur!” vertel ik er maar vast bij. Hij lacht. ,,Lieffie, je hebt altijd een ochtendhumeur.” Ik besluit dat ik er toch nog niet helemaal klaar voor ben zijn warme bedje te verlaten en sla zijn dekbed weer om me heen. ,,Wat weet jij daar nou van. Ik slaap ook nog weleens alleen. Wat dacht je van zes keer per week?” Hij komt naast me op bed zitten en slaat een arm om me heen. Hij stinkt nog steeds naar die chips. ,,Maar niemand kent jou beter dan ik. Of wel soms?” Wat dacht je van mijn moeder, denk ik. Of wat dacht je van mijn beste vriendin sinds mijn tweede?
Maar zo gaat dat nou altijd als hij zo lief doet. Ik kan niks meer. Ik word er helemaal week van. En alle sarcatische opmerkingen die ik anders gemaakt zou hebben, verdwijnen. Hoe zou ik ook sarcastisch kunnen doen als hij me zo aankijkt met die bruine ogen van hem? Ik glimlach dus maar naar hem. ,,Misschien wel niet, nee. Jij kent me in elk geval van een heel andere kant.” Met dat laatste zinnetje bedoelde ik niet per se iets, maar Thomas denkt blijkbaar dat ik hem een hint probeerde te geven, want hij duwt me achterover en duikt er enthousiast bovenop. Ach, ik moet toch wat doen als ik niet meer kan slapen. En misschien, denk ik nog even hoopvol, is hij hierna wel weer slaperig.
Thomas ligt een half uur later inderdaad weer lekker te snurken, maar ik ben klaarwakker. Kwart voor negen is het. De regen is zo te horen opgehouden. De rest van het huis slaapt nog. Ik had ook nog kunnen slapen. Ik bedenk dat ik Thomas nu natuurlijk terug zou kunnen pakken door zelf herrie te gaan maken, maar ik kan mezelf er niet toe brengen op te staan en iets luidruchtigs te gaan doen. Ik steun op mijn elleboog en kijk naar hoe hij ligt te slapen. Hij ziet er zo lief uit. Het valt me op hoe lang en donker zijn wimpers eigenlijk zijn. Waar ik elke morgen voor sta te klungelen met mascara, heeft hij van zichzelf. Hij mompelt wat in zijn slaap en draait zich op zijn andere zij, naar mij toe. Een pluk haar valt voor zijn oog. Zijn haar wordt lang, valt me op. Het komt al bijna tot aan zijn schouders. Ik heb nog nooit meegemaakt dat hij het liet knippen, dus aan zijn haar zou ik moeten kunnen zien hoe lang we elkaar al kennen. Niet dat ik dat niet uit mijn hoofd weet, maar het is een leuk spelletje en ik verveel me. Ik voel me altijd alleen als iemand naast me ligt te slapen terwijl ik zelf wakker ben. Ik hijs mezelf nog wat verder overeind en pak voorzichtig de pluk voor zijn oog vast. Ik zou meteen wakker worden, maar Thomas slaapt prinsheerlijk door. Ik leg mijn vinger op de plek waar die pluk eerst ophield, die avond dat ik ging nachtkanoën met Fleur en Iris. We moesten in tweepersoons kano’s. Fleur en Iris vonden dat zij in dezelfde kano moesten omdat ze allebei ongeveer evenveel wogen (bijna niets dus), maar ik verdacht ze ervan dat ze gewoon bang waren dat ik ze nat zou spetteren omdat ik niet zo’n ervaren kanoster ben als zij. Volgens mij hadden ze spijt van hun beslissing toen ze zagen met wie ik toen een kano deelde. Thomas.
Iedereen vindt het altijd ongelooflijk romantisch als ik zeg dat we elkaar ontmoet hebben bij het nachtkanoën, maar verder is het echt een clichéverhaaltje. We konden het meteen goed met elkaar vinden, bleken veel gemeen te hebben, konden niet meer ophouden met kletsen, spraken af om nog een keer af te spreken, deden het nog ook, en voilá: binnen een paar weken hadden we verkering. Je haar groeit gemiddeld een centimeter per maand. De pluk van Thomas is vier en een halve centimeter gegroeid. We hebben vier maanden verkering. Het klopt. Plotseling word ik overvallen door een vreselijk romantisch gevoel, zoals ik hier lig, met een haarlok van mijn slapende vriendje in mijn hand, om op te meten hoe lang we al iets hebben. Dat had ik een half jaar geleden nooit gedacht.
Opeens gromt Thomas in zijn slaap, en draait zich weer om. De pluk schiet uit mijn hand. Ik kijk weer naar zijn rug, niet meer naar zijn lieve slapende gezicht. Mijn romantische gevoel stort in en slaat om. Plotseling voel ik me eenzaam en depressief. Dit had ik een half jaar geleden ook niet gedacht. Een half jaar geleden dacht ik dat mijn vriendje zou opstaan als ik nog lag te slapen, en zachtjes de kamer uit zou sluipen, om me vooral niet wakker te maken. Dan zou hij terugkomen met een dienblad met heerlijke verse broodjes en jus d’orange. Hij zou de gordijnen opentrekken en óf een stralend zonnige dag onthullen, óf een romantische witte winterwereld. Op dat moment zou ik mijn ogen opendoen en dolgelukkig naar hem glimlachen. Zittend op bed zouden we samen ontbijten en plannetjes voor de rest van de dag maken. Hij zou natuurlijk een rijbewijs hebben en altijd de auto van zijn ouders mogen lenen, dus alle zondagen zouden we besteden aan reizen door heel Nederland, en af en toe, op bijzonder mooie dagen, zelfs naar Duitsland of België. ’s Avonds zouden we naar onze stamkroeg gaan, waar al onze gemeenschappelijke vrienden al op ons zouden zitten wachten. Daarna zou hij me thuisbrengen en natuurlijk nog allemaal lieve dingen zeggen voor ik naar binnen zou gaan.
Maar alles gaat altijd anders dan je had gedacht. Het kan Thomas geen zak schelen of hij me al dan niet wakker maakt, heeft hij net bewezen. In plaats van ontbijt op bed voor mij te maken, eet hij ’s morgens de resten chips van de vorige avond op. Buiten regent het. In plaats van dolgelukkig, werd ik wakker met als eerste opmerking: ,,Gadverdamme, Thomas…”. Ontbijten doen we meestal staand bij het aanrecht in de keuken. De zondag, die we meestal samen doorbrengen, besteden we aan ergens rondhangen. Gemeenschappelijke vrienden hebben we niet. We kennen elkaars vrienden, maar gaan niet veel met ze om, behalve als we daar door de ander toe gedwongen worden. Een stamkroeg hebben we ook niet, omdat we het er maar niet over eens kunnen worden welke kroeg nou het allerleukst is. En aangezien Thomas geen rijbewijs heeft en ik best zelf kan fietsen, is thuisbrengen er ook niet bij.
Ik weet wel dat dit het echte leven is. Toen ik mezelf die ideale voorstelling van het vinden van de Ware maakte, wist ik ook wel dat niet elke dag zonnig zou zijn en dat hij niet altijd ontbijt op bed voor me zou maken. Maar toch had ik me meer voorgesteld dan dit. Waarschijnlijk zit het ‘m er gewoon in dat Thomas waarschijnlijk de minst romantische persoon op aarde is. Hij vindt het al heel wat dat hij als koosnaampje het tamelijk gewone “lieffie” voor me bedacht heeft. Hij gebruikt het ook constant, zodat ik soms zin heb om te zeggen dat ik ook nog een naam heb. Misschien doet hij het gewoon om te compenseren dat hij me verder eigenlijk behandelt als een heel goede vriendin, met wie hij toevallig ook nog seks heeft. Ik schrik zelf van deze gedachte. Zo negatief heb ik nog nooit over onze relatie gedacht. Maar Thomas heeft me ook nog nooit op zo’n botte manier wakker gemaakt. Het is dat ik al vier maanden samen met hem ben, maar als dit in de eerste maand gebeurd was, was ik echt afgeknapt.
Ik word gek van mijn eigen zeurderige gedachten. Zo ben ik anders nooit. Ik hou het niet meer uit in bed. Voor de tweede keer gooi ik het dekbed van me af, maar nu wel zo dat Thomas lekker door kan slapen. Wat ben ik toch lief. Ik loop nog zachtjes naar zijn boekenkast ook. Eindelijk heb ik eens de kans om al die boeken van hem eens rustig te bekijken. Het zijn vooral dikke misdaadromans van schrijvers die ik niet ken. Er staan ook een paar Baantjers, en Stephen King is ruimschoots vertegenwoordigd. Op de bovenste plank staat een rijtje met wat dunnere boekjes zonder titel op de rug. Wat zouden dat nou weer zijn? Nieuwsgierig ga ik op mijn tenen staan om er een te pakken. ,,Afblijven!” blaft Thomas dan opeens achter me, vanuit zijn bed. Geschrokken laat ik het boekje dat ik had willen pakken los. Ik draai me om. Thomas zit rechtop en kijkt mij even geschrokken aan als ik hem. ,,Kom daar nooit aan,” zegt hij, op een toon die ik nog nooit van hem gehoord heb. Het werkt op mijn zenuwen. ,,Of anders?” informeer ik. ,,Of anders was dit misschien wel de laatste keer dat je hier geweest bent.” Ik kan mijn oren niet geloven. Vanwaar dit belachelijke dreigement? ,,Hoezo? Schrijf je in die boekjes je plannen om het land op te blazen op ofzo?”
,,Het zijn mijn dagboeken.” Nu klinkt hij weer kwetsbaar. Ik ga naast hem op bed zitten en sla mijn armen om hem heen. Ik wil niet dat hij boos op me is. ,,Hee, maar ik wist toch helemaal niet dat jij dagboeken schreef? Dan zou ik er echt niet in lezen, hoor. Je kent me toch wel?” Hij maakt zich los uit mijn omhelzing. ,,Laat maar. ’t Is al goed. Kom, we gaan ontbijten.” Hij springt uit bed, pakt in een vloeiende beweging zijn kamerjas van het haakje en trekt hem aan, en loopt de kamer uit. Ik voel dat mijn hart nog steeds bonst van de schrik. Traag pak ik een oversized shirt uit mijn tas en trek het over mijn hoofd. Met een onbehaaglijk gevoel loop ik naar de keuken.
,,Zullen we een video gaan kijken?” stel ik voor, na een nagenoeg zwijgend ontbijtje. Ik heb ongelooflijk de zenuwen van de gespannen sfeer die er plotseling tussen ons hangt. Wat is er nou helemaal gebeurd? Oke, ik heb per ongeluk bijna in een van zijn dagboeken gelezen. Maar die heeft hij ook niet bepaald op een geheim plekje neergezet. En hoe kon ik nou weten dat het dagboeken waren? Welke jongen houdt er nou een dagboek bij?Thomas haalt zijn schouders op. ,,Kweenie. Maakt mij niet uit.” Hoewel hij vond dat we het maar moesten laten, is hij duidelijk nog steeds boos op me. Ik kan er niet tegen. ,,Alsjeblieft,” smeek ik. ,,Doe nou niet zo. Het spijt me. Echt waar.” Hij kijk me gewond aan. ,,Het punt is, Christa,” zegt hij ernstig. ,,Hoe weet ik nou of ik je kan vertrouwen? Wat had je gedaan als ik had doorgeslapen?” Ik begin kwaad te worden van zijn wantrouwen. ,,Wat denk je nou van mij?!” roep ik. ,,Denk je dat ik er lekker voor was gaan zitten? Denk je dat ik ze allemaal was gaan lezen? Nou, dankjewel voor je grenzeloze vertrouwen in mij.” ,,Je weet zelf ook wel hoe nieuwsgierig je bent,” zegt hij. ,,Ik betwijfel of je de verleiding had kunnen weerstaan.” Ik begin me steeds onbehaaglijker te voelen. Waarom maakt hij er nou zo’n big deal van? ,,Wat staat er dan wel niet in die dagboeken van jou?” vraag ik. ,,Wat kan er in godsnaam zo geheim zijn? Stel dat ik een paar regels had gelezen, had had ik dan voor gruwelijks ontdekt?” Het is olie op het vuur. ,,Zie je nou wel!” schreeuwt Thomas. ,,Jij wil alles weten! Jij had zeker doorgelezen!” Zo heeft hij nog nooit tegen me gedaan. Ik voel dat ik elk moment in tranen uit kan barsten. Ik kan alleen maar piepen: ,,Dat is niet eerlijk. Dat is NIET eerlijk!” Mijn onderlip trilt als een gek. Ik zie er vast uit als een peuter. Ik denk dat Thomas het nu toch wel zielig voor me vindt, want hij zucht en zegt: ,,Okee, ik zal je het voordeel van de twijfel geven. Maar de volgende keer…!” Jezus, hij lijkt mijn vader wel. ,,Geloof me, vanaf nu kijk ik wel uit,” beloof ik hem. ,,Je hebt me er voor eens en voor altijd van overtuigd dat ruzie met jou krijgen niet zo’n slim idee is.” Mijn sarcasme lijkt niet aan hem besteed. Ik haal eens diep adem en veeg wat kruimels van het aanrecht. Thomas aait over mijn haar. ,,Lieffie, ik ga even douchen. Jij redt je wel, he? Ga maar tv kijken ofzo.” ,,Ja, ik zie wel,” zeg ik afwezig. Als ik hem de trap op hoor stommelen zet ik de keukenradio aan. ,,Het is een vieze regenachtige zondag, dus kruip lekker met je liefje op de bank… of in bed,” lacht de dj vettig. ,,En luister saampjes lekker naar onze True Love Sunday. We beginnen met Kci and Jojo met “all my life”…” Ik voel een traan over mijn wang biggelen. Kom op, aanstelster, jullie hebben alleen maar even ruzie gehad, zeg ik tegen mezelf. Maar ik heb het gevoel alsof er iets kapot is. Thomas, die altijd volkomen relaxed is en nog niet boos zou worden als hij zijn nieuwe fiets gejat zag worden, is net helemaal door het lint gegaan omdat ik zijn topgeheim-dagboeken in het vizier had gekregen, waarvan ik na vier maanden nog niet eens wist dat hij ze schreef. Dit is niet zomaar een ruzietje. Hier klopt iets niet.
